werd gezet en daarna hoe Gerrit Hendricksz minzaam met de hand wuivend uit het gat opdook en over het vaatje hing. Stomdronken. Een daverend gelach steeg op en de gasten liepen toe om dit van nabij te zien. Maar Anna en Dirckje drongen zich naar voren, trokken de dagloner het keldergat uit. Dirckje greep onbeheerst de houten spoelbak van de toog en goot de inhoud plenzend over Gerrit uit. De gasten gierden, Dirckje stond te trillen op haar benen, beduusd van haar eigen kordaatheid Maar Anna, dol van drift en nog steeds wat opgewonden door het voorval met Marrigje Mathyssen, schopte haar slof van haar voet en begon er Gerrit Hendricksz ongenadig mee af te ranselen.
Pieter Ravesteyn rees op, duwde iedereen opzij, greep de arm van de waardin en ontwrong haar zonder moeite de slof.
„Genoeg, Anna Swaerdemaeckers. Straffen doen Mijne Heren van de Gerechte. Haal een paar dienaren... jij!” gebood hij Dirckje Swaen.
Anna Swaerdemaeckers hijgde wat na, terwijl ze weer in haar slof schoot en Dirckje holde naar buiten op zoek naar een paar rakkers. Het was opeens ernstig in 'De Lenteblom’ want de onderschout van Amsterdam had ingegrepen en bovendien lag Gerrit Hendricksz als voor dood op de grond. De dienaren sleepten hem naar buiten en legden hem op een ladder. Pieter Ravesteyn beval hun hem naar zijn huis te dragen, en terwijl hij geld op de toog legde, zei hij tegen Anna Swaerdemaeckers:
„Dit is een gunst voor u, waardin. Wij hebben er eigenlijk niets mee te maken, want hij was dronken in huis en deed niemand kwaad. Maar zo’n zatlap is in vierentwintig uur zijn roes nog niet kwijt en ik wil mijn feest niet bedorven zien.”
Anna ging hem voor naar de deur, Jochem Brandt volgde pal achter hem. De waardin drukte zich tegen de muur om hem te laten passeren, hield haar hoofd wat gebogen. Haar wangen vertoonden rode vlekken van opwinding door al die gebeurtenissen sinds vannacht. En dan een gunst van hem... Pieter Ravesteyn. Van ergernis voelde zij een ader kloppen in haar hals. De onderschout pakte haar oorlelletje tussen duim en wijsvinger. Anna schrok en wierp het hoofd in de nek, maar hij liet niet los, kneep zacht. En terwijl zij elkander in de ogen blikten, viel het haar weer op, dat de zijne zo ongewoon somber waren. Hij zei, haar diepste gedachten peilend:
„Nog één avond, waardin. Je kunt de uren bijna op je vingers aftellen en dan is óók de onderschout uit je leven verdwenen. Eerst
274