en breed plaats. De schrijver volgde zijn voorbeeld, het hoofd wat in de schouders getrokken. Daarna begaf Anna zich naar de toog en terwijl zij bedrijvig deed met glazen en doeken, siste zij:
„Dirckje, je bent een klont boter. Iedereen kan zijn vinger in je steken. Wanneer leer jij eens flink te zijn tegen de meiden.”
Dirckje wendde zich om, leunde met het hoofd tegen een jenevervaat je en probeerde tersluiks haar ogen af te wissen met haar blanke schort.
„Wel ja... grien maar weer, dat missen we nou net,” beet Anna haar toe.
Dirckje’s schouders schokten en zij antwoordde niet.
Tot haar geluk kwamen er kort na elkaar veel gasten binnen, zodat ze snel en schichtig de bestellingen kon gaan opnemen. Al die tijd had de onderschout hen nauwlettend gade geslagen en plotseling tikte hij gebiedend op tafel en riep:
„Waardin.”
Anna Swaerdemaeckers kwam en wachtte. Een beetje minder zelfbewust naar het hem leek. Zij vroeg zakelijk:
„U wenst, mijnheer de onderschout?”
„Waardin, ik ben hier om u te zeggen, dat ik nog een viertal vrienden meer heb uitgenodigd. We komen dus met zijn tienen mijn afscheid vieren. Wat kost de hele 'Lenteblom’? Vanaf vijf uur tot middernacht?”
„Waarom, mijnheer de onderschout?”
„Dat gaat u eigenlijk niet aan. Maar we kennen elkander langer dan vandaag. Ik wil de volle aandacht van u en uw meiden voor dit feest met mijn vrienden. En ik wens als onderschout niet te feesten met Jan en alleman om me heen.”
Anna Swaerdemaeckers telde met gefronste wenkbrauwen op haar vingers en noemde haar prijs.
„Goed,” zei hij, terwijl hij haar op een eigenaardige sombere manier aankeek en op tafel trommelde, „vanaf vijf uur is 'De Lenteblom’ ontruimd en door mij gehuurd.”
Ze knikte stug en liep terug naar de toog, waar Dirckje Swaen jachtig bezig was met tappen. Nauwelijks was Anna begonnen haar te helpen of zij hoorde gestommel op de keldertrap. Het luik werd opengestoten en sloeg met een vervaarlijke klap tegen de muur. ’t Geroezemoes in 'De Lenteblom’ verstomde en iedereen keek. Zag hoe een eiken jenevervaatje met een doffe dreun op de plavuizen
273