willen ook nog weemoedig afscheid nemen van hun waardin... vrouw en kinderen en het liefje... én de waardin. En Pieter Ravesteyn geen haar beter. Ondanks hun dodelijke vijandschap tóch in 'De Lenteblom’ zijn afscheid vieren. Waarom bij haar? Waarom niet bij Jannegie Pietersdochter, waar hij de laatste tijd zoveel kwam? Men fluisterde dat de Schout het hem verboden had, een onderschout van Amsterdam moest in zo’n kroeg niet komen, als hij er niet vanwege zijn officie te doen had. Maar hij had altijd wel een reden, altijd zocht hij zogenaamd iemand. Jannegie Pietersdochter, sinds zij de strenge tucht van 'De Lenteblom’ was ontvlucht, in een half jaar veranderd van een goedlachse forse werkzame Amsterdamse meid in een zuipende opge-dirkte zwoele felle haaibaai met een onverzadigbare dorst naar geld. Vorige week was ze de vrouw geworden van Ysbrandt de Graef... waardin van 'De Pijper’!
Anna stond woedend op, liep naar de toog, schonk een glas brandewijn in en nam een slok. Maar ze slikte niet door. Opeens schoot het door haar hoofd, dat ze de laatste tijd té dikwijls haar mond spoelde als ze zich opwond. Fout, Anna, dacht ze... fout, waardin! Je wordt een zuipster! Met een straal spuwde zij de brandewijn in de kwispedoor, vastbesloten niet meer te drinken. Een zuipende waardin dat is het einde, dat is z’n geldje verspelen, dat wordt met een vent naar bed, dat wordt... dat wordt... Jannegie Pietersdochter!
Bovenaan de trap naar de keuken riep ze de keukenmeid, die hijgend naar boven kwam met de bunnen. En snel verliet de bedrijvige Anna 'De Lenteblom’, gevolgd door de dikke schommelende keukenmeid.
Gerrit Hendricksz de dagloner kwam om zeven uur. Dirckje Swaen verweet hem, dat hij weer te laat was. Toen schonk zij hem een forse borrel in. Dat had hij bedongen, minder loon, maar iedere dag drie glazen jenever. Want Gerrit Hendricksz was een diplomaat en dat was nodig bij een strenge vrouw, die hem iedere avond zijn hele dagloon liet uittellen en hem geen stuiver zakgeld liet. En omdat Gerrit een forse dorst had en graag een pijpje smoorde, zocht hij zijn bazen onder de kasteleins, die in natura wilden betalen.
Met een handrug veegde hij zijn hangsnor af, rook er nog even spijtig aan want met de noen kreeg hij pas zijn tweede borrel. Toen tilde hij het eerste eiken vaatje uit het wandrek om in de kelder te gaan vullen. Met zijn waterige ogen keek hij naar Dirckje en zei:
270