ben geweest. Hij bleef onbeweeglijk staan en keek verbaasd naar me. En toen vertrok zijn gezicht, toen kreeg hij langzaam andere ogen... toen kreeg hij dat dierlijke smoel van al die kerels... toen spreidde hij zijn armen... en lachtte... en kwam binnen. Iedere andere kerel, waardin, iedere andere was goed geweest, maar hij niet! Hij niet!! Hij niet!!! Ik week uit en hij wilde me pakken... ik greep die haan en gooide hem die in zijn gezicht. Een paar seconden, dat was genoeg om langs hem heen te glippen. Het was een nachtmerrie, waardin, de trap af en dat wijf wilde me tegenhouden... ik kwakte haar de laatste trede af... en Aert Heineken wou me grijpen... en toen... en toen... rukte ik de kaars uit het staketsel en duwde die uit in zijn bek. Hij gilde en vloekte van pijn... en toen die deur, die deur wou niet open!! En toen die openging had hij me bijna... en dat ouwe wijf gilde: mijn been is gebroken, mijn been is gebroken.”
Weer richtte Geesje zich met een ruk op in bed, keek wild naar Anna Swaerdemaeckers en dan weer naar Dirckje.
Ze maakte heftige gebaren, dodelijk angstig en helemaal overstuur. „...Ik holde de steeg uit... toen kroop ik in een brandgang en ze renden me voorbij, Aert Heineken en zijn trawanten, en ik er weer uit... en de Achterburgwal op. En toen hoorde ik de ratelwachts met de honden... en toen heb ik me van een schuit in het water laten zakken en hield me aan het boord vast... zó!... En toen ze voorbij waren, kon ik er eerst niet meer op klauteren, mijn natte kleren waren zo zwaar. Ik heb gesmeekt ter wille van Jan en toen ging het opeens wel... en ik... nou ben ik hier. Goddank.”
Ze zeeg terug in de kussens en huilde niet meer. Bevrijd. „Gelukkig, dat het zo regent,” zei Anna, „je natte kleren lieten geen spoor na.”
De waardin drentelde door de kamer, de vloerplanken kraakten licht. Ze tuurde wat uit het venster zonder iets te zien en dan weer naar het bed. En toen zij eindelijk haar gedachten meester was, zag zij dat goede kind Dirckje Swaen op haar knieën bezig met een dweil en een aarden kom water.
„Je blijft nu hier in huis, op deze kamer,” zei ze, „morgenavond zal ik je de stad uit helpen, het is nu niet meer veilig voor je in Amsterdam. Aert Heineken zal je zoeken en je verraden aan de onderschout. Ze zullen je straffen wegens ontucht en dat gebroken been van die oude vrouw. En misschien om die brandwond van Aert Heineken. En je verweer zal niet tellen.”
267