„Zwijg maar, kind, ’t was genoeg,” zei ze.
„Nee,” hijgde Geesje, „nee... ik moet ’t kwijt.”
Zij richtte zich weer op, staarde met angstige koortsige ogen naar de kaars. Anna legde haar arm om haar schouders, vlijde haar gezicht tegen haar borst, streelde de blonde haren.
„Waarom? ’t Was genoeg.”
„Ik wil ’t vertellen... ik ben geen hoer uit neiging. Ik deed het voor Jan. Daar leeft hij op die boerderij en het is er rustig en hij zal er genezen. Maar als die hoeve verkocht wordt, waardin... als die hoeve verkocht wordt, dan moet hij er weg. Die jodenman is vriendelijk genoeg, die wil me die hoeve wel verkopen... maar hij is oud en als hij sterft en zijn erven willen niet, waardin? Daarom heb ik haast... daarom wil ik dat geld bij elkaar hebben.”
Zij snikte onbedaarlijk en maakte heftige gebaren.
„Daarom... daarom alleen... ik ben er zelf niet bij als ze me nemen... dat zweer ik voor God, waardin. Ik wil die hoeve binnen een jaar, al verziek ik tot in mijn gebeente, al ga ik er aan kapot!!”
Zij gilde hysterisch, rukte deken en laken weg, trappelde en hijgde. Anna Swaerdemaeckers hield haar stevig vast, Dirckje dekte haar weer toe, nu alleen met het laken. Staarde haar aan met behuilde angstige maar vastberaden ogen.
„Er zijn andere wegen, Geesje,” zei Anna, terwijl haar greep ontspande en zij weer Geesje’s gezicht afwies. Maar de opgewonden verblinde vrouw luisterde niet, riep:
„Vanavond kwam Aert Heineken weer in het kamertje... Met dat ouwe wijf, die de kerels aan ons koppelt en het geld beurt. Hij zei: „Er komt misschien een magistraat vanavond.” „Wees erg lief tegen hem,” zei dat wijf, „want zijn gunst is ons bestaan.” Aert Heineken gaf mij weer een goudgulden en die ouwe vrouw dekte de tafel. Met fijn linnen en een karaf wijn... en ze zette een koude gebraden haan neer en ham en worst... en vruchten... en van alles. En ik had zo’n honger, want alles is voor Jan.”
Zij huilde nu zachtjes en wreef aldoor met het laken haar tranen weg. Haar wangen waren rood en gezwollen en haar ogen keken hulpeloos rond. Zij fluisterde nu:
„En toen hoorde ik hem komen. Met een langzame zware stap... bonk... bonk... bonk... zo onheilspellend, waardin. En toen zwaaide de deur open en daar stond ie. Geen magistraat, maar Simon de Bye, voor wie ik voor het laatst van mijn leven een trotse stuurmansvrouw
266