Hij boog wat voorover, wiegde het hoofd in cadans, intens verdrietig.
„Ja. Maar Hij is ook dat!”
Manasse wees naar de horizon en Jan Seghers keek op met zijn betraande ogen. Manasse’s stem klonk wat schor, maar gebiedend toen hij vervolgde:
„Daar de zon. Die alles verwarmt en doet groeien en bloeien. Het gras en de bomen, de bloemen en de groenten. Daar... de machtige wolken, die straks donker zullen worden en de regen zullen uitgieten. En het graan en het gras en het vee en de mens zullen worden gedrenkt. Daar... die windmolen, bedacht door een mens volgens een ingeving van het Opperwezen, zodat het koren tot meel kan worden, zodat we kunnen eten. Hij is de Heer van het gewas.”
„Waarom beiden, de Heer der Heirscharen en de Heer van het gewas,” vroeg Jan Seghers en het was alsof een normaal mens sprak. Hij leunde met het hoofd tegen de boomstam en hield de ogen gesloten. Manasse Gompertz antwoordde:
„De Heer der Heirscharen bestaat niet. Dat is een verzinsel van de mens om zijn bloeddorst te wettigen. Met Gods naam als schild heeft hij geroofd en gemoord en gebrand.”
„Het is geschreven in de Bijbel. Het zijn Gods eigen woorden,” zei Jan Seghers driftig, en stampte weer met zijn kruk.
„Dat beweert de mens. Maar de mens is een falsaris. Daar is Gods woord. Daar, niet geschreven met bloedige woorden en duizendmaal herdrukt, maar in één keer levend neergezet. Daar de zon, de wolken, de wind en de regen, het land en het gewas, het vee en de vogels, de vissen en de bijen, en wij, de mensen. Gods woorden zijn geen menselijke woorden, maar de Schepping die je kunt zien en betasten, dat is Zijn woord. Met één woord zijn al onze vragen beantwoord... Shaddaï... de Almachtige!”
De kat sloop langs hun voeten, op haar buik. Jagend. Gespannen keken de mannen toe... een ren van één seconde. Een jong onervaren vogeltje was haar prooi. Met felle indierlijke ogen naar de mannen glurend, kroop zij in een heg.
„Douwe...,” stamelde Jan Seghers.
„Douwe vogeltje,” antwoordde Manasse Gompertz.
„Waarom, man... waarom redde God dat vogeltje niet?” vroeg de stuurman.
„Shaddaï... de Almachtige!” antwoordde Manasse Gompertz.
259