even in het zonlicht. Manasse glimlachte om Geesje’s bedrijvigheid. Jan Seghers streek zich wat vermoeid over het voorhoofd, tuurde opeens weer over het verre land. Twee bijen zoemden om zijn hoofd. Lange tijd zaten ze stil bijeen, Geesje dicht bij haar man, zijn hand op haar schoot. En zij streelde die hand voortdurend. Jan Seghers zei na een tijdje:
„Ik moet wat doen... en ik weet niet wat.”
„Dan is het niet belangrijk, stuurman, anders onthield je het wel. Kom ik ga eens naar binnen,” antwoordde Manasse Gompertz.
Hij stond op, dwaalde wat door de boomgaard. Hield eens stil bij het schaap en de ganzen, tuurde dikwijls over het verre land en was kennelijk tevree met dit buiten zijn. Toen stapte hij de boerderij binnen. Later aten zij gezamenlijk met de boerin en de huismeid in de keuken. Tarwe- en roggebrood, kaas en ham en gebakken eieren en dronken dikke roommelk. Manasse Gompertz had brood en gerookt vlees meegebracht in een geruite doek. Hij dronk water, at een paar gekookte eieren, die de boerin hem gul opdrong. Manasse Gompertz was wetsgetrouw.
Na de maaltijd zaten zij weer in de boomgaard. Jan Seghers’ ogen stonden niet meer zo helder als ’s morgens. Hij praatte ook niet meer zoveel en was soms weer verward. Op één moment keek hij vijandig naar Manasse, tikte hem gebiedend op de schouder en vroeg: „Wanneer... wanneer komt God voor de Schepenbank?”
Geschrokken keek Geesje achter haar mans rug om naar Manasse. „Dat is een zaak tussen mannen, Jan Seghers.”
Met een ruk wendde de stuurman zijn hoofd om naar Geesje, zei ruw:
„Laat ons alleen. Ik roep wel.”
Ze was al opgestaan, keek weer vragend naar Manasse, die haar met toegenepen ogen betekenisvol toeknikte. Ze week wat uit, ging onhoorbaar op het gras achter de boom zitten.
„Wanneer?” vroeg Jan Seghers weer, nu wat dreigend en stampte met een kruk op de grond.
„Nooit, stuurman,” antwoordde Manasse rustig.
Jan Seghers staarde hem aan, zijn mond hing wat open.
„Nooit, stuurman,” herhaalde Manasse, „besef je wel wie God is?” „Ja... de Heer der Heirscharen, de God der Wrake, de God van de slachtoffers... en de brandoffers. De God van de melaatsheid... van de pest... van de oorlog... van de oorlog... van de oorlog.”
258