gasten, die het eerst op een vijandelijk schip zouden overspringen. En aan alle bevelhebbers werd aangezegd, dat vluchten met de dood zou worden geboet. En al deze maatregelen misten hun invloed niet. ’t Volk van Holland herrees uit zijn neerslachtigheid. Uit alle rangen en standen meldde men zich voor de vloot, schonk men geld, rustte op zijn kosten zeesoldaten uit en voorzag hen van soldij en kostgeld. In enkele weken veranderde hun somberheid in geestdrift, laaide een hevige woede op tegen de Brit, die weer met een grote vloot de zeegaten dichtgekurkt hield en honend langs de kusten zwalkte.
En op een juli-avond toen het begon te schemeren kwam Jannegie Pietersdochter gejaagd naar het huis van Pieter Ravesteyn op de Nieuwendijk. Oude Hilligie herkende haar, maar zei niets. In de loop der jaren had zij geleerd te zwijgen tegen en over al de vrouwen, die de onderschout weleens hadden bezocht. Zij liet haar binnen bij de onderschout, nam haar kaars en besteeg de trap naar haar slaapkamertje. Deze avond hoefde zij niet door het huis te dwalen want Pieter Ravesteyn zou thuis blijven...
Jannegie Pietersdochter stond voor hem, weer gekleed als een koopmansvrouw uit de hogere kringen. Alles zag er duur uit. Zij droeg nu ook wat juwelen, een halsketting met een flonkerende diamant, die de aandacht vestigde op het gleufje tussen haar borsten. Haar vingers waren beringd. Op haar oorlelletjes prijkte een parel. Maar al die kostbaarheden betoonden des te meer haar wezen van Amsterdamse volksvrouw. En het geoefende oog van de onderschout had dat dadelijk gezien.
Hij rees niet op van zijn stoel bij de lege haard, waar hij blijkbaar zat te lezen, een boek lag op tafel bij de brandende kaars en de grote tinnen bierkroes. Hij keek haar aan, terwijl hij een wolk tabaksrook uitblies en haar met een weids gebaar van zijn gouwenaar een stoel tegenover zich aanwees. Zij nam plaats en bekeek hem nieuwsgierig, want hij leek zo anders, zonder bepluimde hoed, zonder lederen kolder. Hij zat daar met open hemd, inplaats van zware laarzen, witte katoenen kousen en vilten muilen. Zij glimlachte want zij besefte dat zij door zijn huiselijke kleding en zijn gemoedelijkheid haar laatste spoortje schroom verloren had. Hij zei:
„Zo, zo... Jannegie Pietersdochter, dat is nu een maand geleden!” „Jao... d’r is feil gebeurd. Ik gaon traawe... kommende weik. Jai most me niet!”
251