en de knecht moest een lantaren brengen en toen hij er haastig mee in het voorhuis kwam, pakte Manasse hem de lantaren af en duwde die Chajim Todelche in de hand. Iedereen was hooglijk verbaasd, maar de patriarch vond dat allemaal heel gewoon, stelde zich voor de dokter en Geesje op en beval de knecht: „Open de deur,” en toen de deur openzwaaide zei hij tegen de dokter: „Licht me voor, Chajim... met die lantaren des levens en niet met je wetenschap.”
Werkelijk boos ging de dokter hem voor. Als een knecht voor zijn meester en zijn huisvrouw. Want Manasse Gompertz voerde Geesje mee aan de hand. Hoffelijk en ernstig.
Met moeite brachten zij de stuurman naar Manasse’s huis. Hij wilde eerst vechten met de mannen, maar Geesje wist hem te overtuigen, dat hij op reis ging voor zijn proces. Hij strompelde mee door de nacht, maar in de woonkamer van Manasse Gompertz overviel hem een groot wantrouwen. Hij zei, dat al zijn geld zoek was en dat hij dan het proces verliezen moest, want God, zijn tegenpartij, had geld genoeg. Manasse keek hem scherp aan, streek over zijn baard en het scheen de dokter toe dat zijn ogen eigenaardig vonkten toen hij de stuurman antwoordde:
„Stuurman, tegen God procedeert men Pro Deo.”
Verward wreef Jan Seghers al maar over zijn voorhoofd en prevelde voortdurend:
„Dat klinkt mooi... dat klink mooi... Pro Deo... Pro Deo.”
Toen liet hij zich gewillig naar bed brengen door Geesje en de huishoudster. Chajim Todelche bracht Geesje naar huis en had het onaangename gevoel gevolgd te worden. Daarom stond hij zo nu en dan stil, hief de lantaren en trachtte in de donkere straten iets te ontdekken. Hij zag niets, maar was blij toen hij zijn huisdeur weer kon grendelen.
Voor dag en dauw reeds had Manasse Gompertz zijn woning op de Houtmarkt verlaten. Zijn plan om een reiswagen te huren had hij laten varen, ’t Was te opzichtig als een karos bij zijn woning zou voorrijden en de zekerste manier om de dienaren van de Schout aan te lokken. Daarom zocht hij een schipper met een tjalk en toen hij er een gevonden had, huurde hij hem om tegen de avond voor zijn huis te meren. Hij betaalde rijkelijk met goud, waarop de schipper zo wantrouwend werd, dat Manasse hem maar alles vertelde. De schipper knikte nadenkend, tuurde tergend lang naar het goudstuk in
249