„Breng uw man buiten de stad. In een dorp bij goede mensen. Als er tenminste nog goede mensen zijn.”
Ze boog het hoofd.
„Ik heb geen geld. Al het spaargeld, dat ik hem maar zo lang in bewaring gaf, heeft hij vandaag uitgestrooid.”
„Een mens zonder geld is zo weerloos als een bakerkind. Hebt u werk?” vroeg Manasse Gompertz en streek nadenkend over zijn baard, terwijl hij haar onderzoekend aankeek.
Met een hoogrood gezicht vertelde zij van haar wederwaardigheden en haar vergeefse tocht vandaag om werk te vinden.
„Zoek verder en God zal je helpen, joffer. En totdat het Opperwezen zich beraden heeft, zal ik het pension voor uw man betalen.”
Nog dieper boog zij haar trotse hoofd en antwoordde:
„Als u ’t me lenen wilt. Anders niet.”
„Goed,” zei Manasse Gompertz, „ik zal ’t u lenen zonder rente, zonder tijd.”
„Ik wil nog iets proberen, joffer,” zei de dokter, „ik zou hier in mijn huis een schijnproces voor hem willen opvoeren. Misschien dat hij daarna langzaam helder wordt.”
Verrast en dankbaar keek zij op, maar schrok van de ogen van Manasse Gompertz. Langzaam kwam hij overeind en volgens zijn gewoonte tikte hij de dokter vervaarlijk met een wijsvinger op de borst, riep boos:
„Qiajim Todelche, waar is je verstand? Wou je mesjoggaas met mesjoggaas genezen?”
De dokter werd zo bedremmeld als een kind. Manasse Gompertz vervolgde, met één hand leunend op tafel en met de wijsvinger gebiedend:
„Morgen zal ik uw man naar buiten brengen. Hij moet beschermd worden tegen de Schout en... de dokter. Later vertel ik u waarheen ik hem heb gebracht.”
Haar trots brak. En zij begon te snikken. Manasse Gompertz deed alsof hij het niet zag en gebood:
„En nu, Chajim, ga mee. Help me de stuurman naar mijn huis brengen. Daar zoekt niemand hem.”
Zijn manier van doen was zo beslist, dat noch de dokter, noch Geesje durfde tegen te spreken. Manasse ging hen voor alsof hij de heer des huizes was, beval de huismeid om de knecht te roepen
248