toe, en wat haring, en wat reuzel, en wat turf, en een paar stuivers. Kijkt haar koel vorsend aan en taxeert de maanden, die dit afgetobde vrouwtje nog leven zal. En dan slaat Geesje Seghers de handen voor de ogen, gilt, haar nagels krabben langzaam over haar wangen, van de jukbeenderen naar de kin en trekken een bloedig spoor. En zij zinkt neer op de grond, een hoop snikkende schokkende ellende.
Avond. Na uren was zij opgestaan, had zij zich hersteld. Had zich gewassen, een zwart jak en rok aangetrokken, een schoon schort voor gebonden en een nieuwe muts opgezet. Zij at een paar sneden brood en dronk wat karnemelk. Toen keek ze naar Jan Seghers, die nog steeds sliep en zwaar snurkte, pakte een lantaren.
En zo in haar strenge zwart en wit ging zij naar het huis van dokter Chajim Todelche. Zoals altijd kwam de dokter direct in het voorhuis, toen de huismeid haar komst had gemeld. Hij ging haar voor naar zijn werkkamer op de eerste verdieping, maar zij aarzelde om binnen te treden toen zij een baardige stoere oude heer bij de tafel zag zitten. Vriendelijk en wat majesteitelijk wuifde Manasse Gompertz haar toe, beduidde haar binnen te komen.
„Spreek maar vrij uit en doe alsof ik er niet ben,” zei hij, sloot zijn ogen en vouwde zijn handen over zijn buik. Dat was zijn manier om zich te verwijderen én te blijven. De dokter liet haar plaats nemen en toen ook hij achter zijn tafel zat, voelde zij zich wat meer op haar gemak en vertelde. Chajim Todelche knikte al maar welwillend, toen vroeg hij:
„Zal ik nog even meelopen om naar hem te kijken?”
Zij haalde haar schouders op en antwoordde een beetje kregel:
„U hebt hem al zo dikwijls onderzocht. In zijn hoofd kunt u toch niet kijken.”
„Waarom vertelt u me wat er vandaag is gebeurd, als u geen vertrouwen in mij hebt,” zei hij zacht verwijtend.
Ze tuurde op haar handen, antwoordde:
„De Schout zal nu wel bevelen om hem op te sluiten. Wat kan ik daar tegen doen? Ik wil hem niet in het dolhuis, dat wil ik niet!”
Ze sprong op en stampvoette. Manasse Gompertz opende de ogen en voordat de dokter kon antwoorden zei hij:
„Joffer, als u vreest, dat de overheid uw man zal weghalen, moet u de overheid vóór zijn. Heel vlug vóór zijn.”
Vragend keek ze hem aan en daarna naar de dokter.
247