brengen. Toen zij hem zachtjes vastgrepen rukte hij zich los en begon te strompelen, zwaar leunend op zijn krukken. Het volk week terzij, begaan met die gek en toch een beetje lacherig om de vreemde vertoning.
Toen Jan Seghers door de poort was gegaan stond hij stil. En riep tegen de menigte op de Burgwal:
„Er is geen recht voor Douwe. Ik was getuige, alleen was ik getuige! Maar de Heren durven niet!! Ze zijn bang voor God!!! Hier, hier is het geld voor Douwe’s proces! Hier... zuip maar op, er is geen recht!”
En voordat de dienaren het konden verhinderen, strooide hij, hangend op zijn krukken, een paar handen vol geld onder de menigte en schudde de rest voor zijn voeten uit. De straatjongens en de zwervers tuimelden over elkander heen, graaiden en vochten en in een ommezien was het geld verdwenen. De menigte verspreidde zich haastig omdat de dienaren begonnen te ranselen en trachtten een paar kinderen en bedelaars te grijpen om hen het geld af te nemen.
Jan Seghers bonkte met zijn krukken op de keien, sleepte zich voort, starend in de verte. Huilde zachtjes, de lege kous krampachtig omklemd...
Met moeite hielpen de dienaren van de Schout hem de trap op. Een paar buurvrouwen kwamen boven, wasten zijn gezicht en zijn bevuilde blote voeten, gaven hem te drinken en brachten hem te bed. Om beurten bleven ze waken.
En zo vond hem Geesje toen ze thuis kwam van haar vergeefse tocht om werk te vinden. Hij sliep. Lijkbleek, maar de nek ongebogen, zo hoorde zij het verhaal van de buurvrouwen. Keek naar haar man, naar de lege kous, die de vrouwen hem niet hadden durven afnemen en die hij nog omklemde in zijn slaap. Geesje dankte stug en wat bedremmeld verlieten de vrouwen de kleine slaapkamer.
Geesje nam plaats bij haar man en staarde maar naar dat smartelijke, dodelijk vermoeide gelaat. Een huivering overviel haar. De komende jaren schoten in tomeloze vaart aan haar ogen voorbij...
Dertig jaar, de jeugd verwelkt. Veertig jaar... de haren vergrijsd, wat gebogen door zorgen. Vijftig jaar... reeds gerimpeld, de huid verwelkt, nog meer gebogen, haar handen eeltig en gekromd door werk! Werk!! Werk!!! Zestig jaar... oud, verlept, schriel, de ogen verdoft in blauwige kassen, de kleding gerafeld en vaal. Zeventig jaar... een ambtenaar van Huiszittenmeesters schuift haar een brood
246