opeens opende hij de kamerdeur, strompelde over de gaanderij van het voorhuis. Hij keek over de leuning en overlegde, wreef soms vermoeid over de ogen alsof hij zich iets herinneren wilde. Hij ging zitten, de krukken als voelhorens van een vreemd beest vooruit gestoken en liet zich tree voor tree de trap afzakken. Beneden hees hij zich weer overeind, de kous met geld krampachtig omklemd. Hij gaf de krukken bemoedigende klopjes, streelde ze en mompelde: „Beste trouwe kerels, steunen jullie kapotte stuurman... beste jongens. Jullie zuipen wel veel en vechten op het mes, maar toch goeie kerels. Iedere dag helpen jullie je stuurman weer... vanavond een oorlam van de schipper... en nou gaan we naar de Schout. Ja, jongens, ik ben poorter van Amsterdam en ik verlang mijn recht. Kop op, jongens, ik zal niet zwaar leunen.”
Hij morrelde lang aan het slot van de buitendeur, maar eindelijk strompelde hij dan toch de straat op.
Langzaam bewoog hij zich met zijn krukken voort. Hier en daar bleef al iemand staan om de malle vertoning van die baardige invalide in zijn lange nachthemd. Er kwamen kinderen uit de huizen, er kwamen straatjongens en zwervers en zij formeerden een kleine stoet achter de ongelukkige stuurman. Hardnekkig bewoog hij zich voort. Eerst de krukken vooruit, dan een ruk van het lichaam en de ongelukkige benen zwaaiden naar voren, dan weer de krukken en het lichaam en de ruk van de benen... onafgebroken als de slinger van een langzaam uurwerk.
En zo kwam hij, geleid door een feilloos instinct, door de stegen, over de bruggen, op de gracht bij het Prinsenhof. Hij strompelde door de poort, bleef op zijn krukken hangen en wachtte...
En zo zag de Schout hem vanaf zijn stoep. Zag een Golgotha. De donkere achtergrond van de poort, in het halfduister wriemelende en joelende kinderen, volwassenen daarachter met een grijns van spot op hun vaalschemerige gezichten...
En tegen deze achtergrond hing Christus op twee krukken...
Het hoofd wat opzij, de ogen gesloten in holle kassen, de mond moedeloos treurig, half verdekt door de blonde snor, de baard wat verward. Het lange blanke hemd tot op de grond, hel belicht door scherpe zoninval, die hem als ’t ware omsloot en gevangen hield. Dus geen neger en ook geen jood zoals Chajim Todelche of de mannen van de Breestraat. Dus toch een Lubeckse schipper, dus tóch een blonde Christus, een man van het land. Er zijn dus Nazareners onder
244