Roepend dat de Almachtige opzij moest gaan om de duivel door te laten. De duivel, waarmee hij een contract wilde sluiten.
En ze sloeg de handen voor het gezicht en smeekte fluisterend: „Verjaag de duivel, Heer, geef hem zijn ziel niet. Vergeef hem zijn lastering, Heer. Toorn niet tegen hem, want hij is ziek. Heer verhoor mij... sta hem bij en houdt zijn ziel in Uw sterke handen.”
Zij hoorde hem onderhandelen met de duivel. Hoorde de verlokkingen des levens en des vlezes, die de duivel hem tonen moest in ruil voor zijn ziel. En Geesje Seghers in haar bedstee bad er tegen in, zo lang tot het stil werd en hij was ingeslapen. Toen vroeg ze voor zich zelf:
„Laat me sterven God, laat me sterven, hedennacht. Bedenk toch, Here... ik kan toch niet de vrouw zijn van een waanzinnige. Verlos me, Heer, van dit uitzichtloze leven.”
Ze werd de volgende morgen vermoeid wakker. De stuurman sliep nog en snurkte. Ze maakte haar huisje aan kant, zette brood met kaas en een kan melk voor hem gereed.
Het was nog vroeg toen ze het huis verliet om werk te zoeken, want ze wilde zo tijdig mogelijk weer terug zijn. Toen hij wakker werd, zochten zijn ogen wat angstig de kamer af. Hij riep en omdat er geen antwoord kwam, werd hij steeds banger. In panische angst stuntelde hij de bedstee uit, greep zijn krukken en wurmde zich door de kamer. Lang keek hij naar het ontbijt, het houten plankje met de stapel boterhammen, de plakken kaas, de kan melk en de aarden beker. Een mes was er niet, een voorgevoel weerhield Geesje om hem er een te laten gebruiken. Hij mompelde, sprak weer met de duivel, twistte met hem omdat hem reebout en vurige wijn was beloofd in plaats van brood met kaas en melk. Voor een klein spiegeltje bleef hij staan, keek erin en maakte grimassen, sloeg het met een kruk aan gruizels. Toen hing hij weer in zijn krukken en tuurde door het venster naar buiten. En zich opeens bezinnende, wurmde hij zich terug naar zijn bed, woelde onder zijn strozak en pakte de kous met geld. Het spaargeld voor het proces, dat hij bij beetjes had af getroggeld van Geesje. Hij mompelde: nog steeds geen dagvaarding... nog steeds geen aanklacht... die jood bedriegt me... luiwammes van een vent... verhalen, al maar verhalen, vertelseltjes, sprookjes. Ik ben poorter van Amsterdam... ik heb recht om God voor de Schepenbank te dagen... ik heb recht, ik heb recht!!! Woedend stampte hij met een kruk en
243