wat machtiger lopen, met brede borst diep adem halend en met zware dreunende stappen. Het deed hem goed, een knappe jonge poorteres, die zijn bescherming zocht en hem volkomen vertrouwde.
„Hoe is de stuurman, Geesje Seghers,” vroeg hij belangstellend.
„Het gaat slecht. Dokter Todelche komt regelmatig en dan schreeuwt Jan tegen hem. Dat de dokter hem bedriegt en dat hij geen advocaat wil zoeken om de aanklacht in te dienen. Gisteravond was het weer zo en Jan dreigde, dat hij naar de Schout zou strompelen. Hij bleef niet langer wachten... en geld had hij genoeg om die advocaat te kunnen betalen. Ik heb hem alles gegeven wat ik verdiende,” zei ze zachtjes.
„Wat ga je nu doen, Geesje?”
„Och... ik zoek wel wat. Niet meer als meid. Misschien ga ik vis venten of fruit... of... ach, ik weet het niet.
„Als je hulp nodig hebt voor een vergunning, dan zal ik je helpen,” zei hij vriendelijk.
„Dank u, mijnheer de onderschout, ik zal het onthouden.”
Zij waren bij haar huisje aan de Raamgracht gekomen. Zij reikte hem de hand en hij kon amper haar glimlach onderscheiden, zo donker was het reeds. Maar wel zag hij twee tranen glinsteren.
„Kop op, Geesje Seghers,” zei hij zacht.
Ze glipte naar binnen en sloot. Maar voordat hij vertrok, duwde hij nog even tegen de deur om zeker te zijn dat er goed gesloten was.
Toen zij boven in de woonkamer kwam, schrok zij omdat Jan Seghers nog op was en aan het venster zat. In het donker, want vuurslaan met de tondeldoos had hij verleerd en wegens het brandgevaar had Geesje het maar zo gelaten. Zijn baardige profiel tekende zich af tegen het vreemde lichtdonker van de heldere zomeravond, nog zichtbaar door het venster.
„Waarom ben je niet naar bed gegaan, Jan?”
„Te warm en ik wilde op je wachten. Waarom ben je zo laat?” „Siewertje Ploegh maakte weer moeilijkheden. Ik moest nog van alles doen.”
„Slecht mens, die brouwersvrouw! Izebelü! Wacht maar tot ik weer kan uitvaren... wacht maar, mensen. Dan is het uit met dat gesloof van mijn Geesje. Dan kaap ik drie grote Britten en dan zijn we rijk... ah, dan bouw ik een huis aan de Heerengracht en mijn Geesje loopt in zij en fluweel. Laat ze oppassen... hier komt Jan Seghers, de wreker!”
241