„Met allebei je handen, onderschout, en op de adamsappel drukken... een zigeunerin heeft me eens voorspeld, dat ik vermoord zou worden... toe dan, jou zal de beul van Haarlem wel helpen op de Dam voor de ogen van Schout en Schepenen.”
Pieter Ravesteyn rukte de deur open, kwakte Jannegie Pietersdochter opzij, daverde de trap af en eerst toen voorbijgangers in de Nes verwonderd bleven staan, besefte hij, dat hij zijn zelfbeheersing geheel verloren had.
Nauwelijks had oude Hillegie het avondbrood opgediend of een rakker meldde zich. Hij vertelde, dat een meid huishoudgeld gestolen had en wat er nu gebeuren moest. Insluiten in de Boeyen? Of vrijlaten totdat het gerecht zal hebben gevonnist. Pieter Ravesteyn zei, dat hij eerst wilde eten en daarna wel eens zou komen. Of een huis-meid een paar stuiver had verdonkeremaand was niet zo belangrijk om er zijn avondbrood voor te laten staan. Hij at langzaam en veel en met smaak en was verheugd, dat zijn gesprek met Ysbrandt de Graef zijn eetlust niet bedorven had. Oude Hillegie wond zich echter op en vond het een schandaal, dat een heer van de Gerechte nooit eens rust had. Mijnheer de onderschout was toch al bijna nooit thuis. Altijd herrie en misdaden, nooit eens rustig aan het venster zitten en wat lezen of een pijpje smoren, of een partijtje triktrak met zijn huishoudster spelen, of wat houtsnijwerk maken, of...
„Hou op, Hillegie!” lachte Pieter Ravesteyn, „je zou een vent op vilten muilen van me maken. En ik geloof, dat ik de onrust zo gewend ben, dat ik niet anders zou willen. Alles went, Hillegie, ’t leven van een huisvader, dat van een soldaat of een zeeman.”
Hij zweeg abrupt. Zeeman! De woorden van Ysbrandt de Graef schoten hem te binnen... geronseld voor de vloot... en als je niet komt, dan ben je een lafaard! Een lafaard!!
Ruw stond hij op, oude Hillegie schrok ervan en liet bijna haar bierkroes uit de handen glippen. Goedmoedig klopte Pieter Ravesteyn het oude trouwe vrouwtje op de schouder en zei, terwijl hij zijn kolder aanschoot:
„Ik zal voortmaken en dan speel ik met jou een partijtje triktrak en smoor er eens een pijpje bij.”
„Wat wil mijnheer de onderschout straks drinken? Bier of wijn?” „Haal koele rijnwijn, Hillegie, het is warm geweest vandaag.”
Toen wandelde hij langzaam en waardig, links en rechts groetend,
237