naar het huis van de brouwer Menno Ploegh op de Brouwersgracht.
Hij trof de huisvrouw in de keuken. Zij zat daar als een kwaaie kip en ruziede nog steeds met felle bruine oogjes tegen Geesje Seghers, de werkmeid. De keukenmeid stond tegen de schouw geleund en viel haar joffer zo nu en dan bij. En een rakker zat op een stoel bij de deur te wachten, terwijl hij ondertussen zijn nagels schoon peuterde.
Toen de onderschout binnentrad, riep Siewertje Ploegh:
„Ha... bent u daar eindelijk. We zitten al uren te wachten tot u komt om deze dievegge in de Boeyen te gooien.”
Deze begroeting viel niet bepaald in goede aarde bij de zelfbewuste onderschout, daarom antwoordde hij:
„Sinds wanneer moeten Mijne Heren van de Gerechte per kerende komen bij een ruzie van een joffer met haar meid ? En sinds wanneer hebt u het recht om ons te vertellen wat wij moeten doen?”
Verrast en dankbaar keek de behuilde Geesje hem aan. De rakker rees geschrokken en gedienstig op en Siewertje Ploegh en haar keukenmeid knikten elkander veelbetekenend toe alsof ze zeggen wilden: wel... wel... hoor me dat!
Pieter Ravesteyn trok een stoel bij de tafel, ging breeduit zitten alsof hij de President Schepen was en beduidde met een paar ongeduldige gebaren, dat de drie vrouwen moesten oprijzen en vóór de tafel verschijnen.
„Wie bent u?” En hij wees op de brouwersvrouw.
„U kent me toch zeker wel... Siewertje Ploegh, huisvrouw van Menno Ploegh,” zei ze opeens wat getemd.
„En jij?” En de onderschout wees op de keukenmeid.
„Sijtje Dik... van Zaandam... de keukenmeid.”
„En jij ?” En hij wees op Geesje Seghers.
„Geesje Seghers, de vroegere eerste meid van 'De Lenteblom’. Mijnheer de onderschout zal ’t zich nog wel herinneren.”
Hij maakte een gebaar, zodat ze een beetje bang zweeg.
„En wat is er gebeurd, Siewertje Ploegh?”
„Die meid daar is naar de markt geweest en naar de kruidenier en de suikerbakker... en, en... nou komt ze maar liefst vier stuivers tekort... en dat is alle dag een of twee stuivers... en dat begint me nou te vervelen van die dievegge.”
„Tut, tut,” zei de onderschout, „dat zullen we nu eerst eens onderzoeken. En wat zeg jij, Geesje Seghers?”
238