Hij liet haar niet lang wachten en toen zij z’n kamer binnentrad, was hij aangenaam verrast. Ze had zich blijkbaar met bijzondere zorg gekleed en zag eruit als een vrouw uit de hogere stand. Maar haar gezicht onder de dunne falie was niet te veranderen, dacht de ervaren vrouwenkenner. Dat gelaat behield het verleidelijk frisse en zinnelijke van het volksmeisje en het zou nooit de verfijnde intelligentie krijgen, waarmee de gezichtjes van sommige jonge vrouwen uit de regerende stand getekend waren.
De onderschout stond niet op en Jannegie Pietersdochter verwachtte niet, dat zij mocht gaan zitten. Al was zij rijk gekleed, zij bleef de eerste meid uit 'De Pijper’ en daar zat een onderschout van Amsterdam.
Pieter Ravesteyn draaide zijn snor op terwijl hij haar bekeek, strekte ongegeneerd zijn benen voor zich uit en vroeg:
„En?”
„Aasbrendt de Graof is gekneusd nao die fechtpertij.”
„Moet je een dokter roepen.”
„Hib ik gedaon. De Schaawt mot komme see die went meschien gaot tie dood.”
„Wat scheelt hem dan?”
„Se hibbe ’m mit se kop so tege de muur gekwakt dat se harses geschud binne. Hai lait al de heile nacht foor Pampus.”
Pieter Ravesteyn sprong op en Jannegie Pietersdochter schrok ervan. De onderschout lachte en zei:
„Heb je een kwaad geweten, dat je zo schrikt?”
„Waorfen?” vroeg ze fel.
„Nou... jij hebt 'De Lenteblom’ op stel en sprong verlaten en nu deel je de lakens uit in 'De Pijper’. Je ziet er uit als een koopmansvrouw en men vertelt dat de waard om je heen draait als een koerende doffer.”
„Naaw... én?!!”
De onderschout nam weer plaats. Keek verstoord naar buiten, want het leek dat deze felle Amsterdamse hém ondervroeg met haar zinnen van twee woorden. Het maakte hem kregel en daarom begon hij op ruwe toon:
„Nou... en? Je kunt er zo niet uitzien van het loon van een meid. Of je telt je hele beugeltas niet uit, of hij strijkt je onder je kin en daarvoor laat je hem betalen.”
„Naaw... én?”
231