„In het eerste geval sluit ik je in de Boeyen... en in het tweede vind ik je een dweil.”
Voordat hij het besefte was zij bij hem en sloeg hem midden in zijn gezicht. Hij sprong op en greep haar beet. Zijn ogen vonkten van woede om zijn gekwetste waardigheid.
Met een snelle ruk van haar hoofd liet zij de falie achterover glijden. Hij keek bewonderend naar deze blonde overvloed, omringd door de blauwe glanzende falie. Zij lachte geheimzinnig en weer was zij hem voor. Want plotseling hield zij met wijsvinger en duim van beide handen zijn snorpunten op en zoende hem op de mond. Slechts even was de onderschout verbaasd, toen kuste hij langzaam en behaaglijk terug. Zijn ogen lachten en tastten haar gezichtje af nu zij in volle overgave in zijn sterke armen hing. Hij sprak het eerst. „Waarom?”
„Omdet je ’n keirel bin... omdet je foor me gefochte hib.”
„Dat had Ysbrandt de Graef ook al gedaan,” plaagde hij.
„Ach wet... dat dee die alleen om te pronke... om me in se bed te krage... die aawe snoepert.”
„En is hem dat nooit gelukt? Zeg eens eerlijk?”
„Nei... hai kraagt me alleen as joffer. As waordin fen 'De Paaper’... en den sel ik me oge motte dichthaawe... en op me lippe baate... da’s den de praas.”
Zij haalde berustend haar schouders op en keerde het hoofd af, slikte even nerveus. Pieter Ravesteyn bekeek haar met een stille glimlach en zoende haar nogmaals en nogmaals begerig in de hals.
„Ik zal direct komen,” zei hij.
„Nei... ik mot eers nao de timmermen en de glaozemaoker... en ik mot naor de koopmen foor glaswerrek... en nao ’t schraanwerrekers-pend in de Kalverstraot om nieuwe stoele en taofels en...”
„Hou op meid. Dan ben je eerst tegen de avond terug,” riep hij vrolijk.
„Det ken... daorom mot je tege de afend komme,” zei ze en keek hem op een bijzondere manier aan.
Toen duwde zij hem ruw weg en bevrijdde zich met een vlugge beweging uit zijn armen. Snelde uit z’n kamer. En Peter Ravesteyn draaide bijzonder aandachtig zijn snor op, zijn ogen werden licht van hartstocht en hij betrommelde daarna diep bevredigd zijn borst.
Langzaam wandelend, genietend van de junizon en van haar rijke
232