De Nes. Smal de straat, eigenlijk een lange drukke steeg. Hoog de huizen, om en om een kroeg. Een honderd meter van de Halsteeg de herberg 'De Pijper’, de kroeg van Ysbrandt de Graef.
Het was er donker, daarom brandden er ook overdag twee kaarsenkronen en wandluchters, stonden hier en daar koperen blakers op tafel. De herberg was vol, blauwgrijze tabakswalm sloeg op ogen en keel. Er werd geschreeuwd en gelachen, er werd met de vuist daverend op tafel geslagen. En er werd gevloekt.
Achter de toog Jannegie Pietersdochter. Blond en struis, een bonk van een meid. Ze droeg niet meer het strenge zwart en wit, dat verplicht was bij Anna Swaerdemaeckers maar een jak van roze zijde, omzoomd met wit bont, een gele rok met boven de zoom twee bruine strepen. Op het achterhoofd een klein zwart kapje en twee zware tressen blond haar vielen langs haar wangen in de hals. Haar nek was bloot en blank en mollig gerond. En wekte een felle begeerte op bij de mannen. Haar staalgrijze ogen keken zelfverzekerd rond, niets wees meer op de gedienstige Jannegie van ’De Lenteblom’.
Ysbrandt de Graef scharrelde door de herberg. Dan zat hij bij die, dan weer bij een ander in een hoek gedempt te praten en beloofde hun een fors handgeld, veel buit en goede voeding als ze bij die of die kapitein monsterden. Maar dikwijls was hij achter de toog, vlak naast Jannegie, die bijna onafgebroken glazen en kroezen vulde. Wanneer hij te dicht bij haar kwam en zij zijn begeerte onaangenaam bespeurde, snauwde zij en hij droop af om enkele minuten later weer naast haar op te duiken. Fel jaloers op al de forse jonge kerels, die zich verdrongen voor de toog en waartegen Jannegie lonkend
227