weverij... als boodschappenmeisje voor een kousenwinkelierster, als wasmeid... als keukenhulp... als huismeid. En dan komt de onderkoopman Swaerdemaeckers en de huismeid ziet tegen hem op en is vereerd en gelukkig, dat iemand haar eindelijk ziet en liefkoost en begeert. Ik weet wat jij gevoeld hebt, toen Philippe de Haen je opmerkte... die eerste onderzoekende blik van een man. Maar dan... Dirckjeü”
Anna Swaerdemaeckers grijpt naar haar keel, die is als dichtgeschroefd. Wat hulpeloos kijkt ze op naar Dirckje Swaen, die met twee snelle stappen bij haar is, en haar hoofd omvat met zachte moederlijke handen en dat tegen haar borst drukt, en de ravezwarte haren streelt.
„Zwijg maar, waardin... zwijg nu maar, rakel het niet weer op, het is zo lang geleden, dat hij vertrok,” fluistert Dirckje Swaen en er is alleen maar goedheid in haar stem.
„Nee... nee, Dirckje, niet dat is het, niet dat hij me verliet en daar een nieuw leven begon, niet dat. Maar... Dirckje... het is zo vreselijk als een vrouw twee weken na haar huwelijk haar man betrapt... met... met... een jongen van vijftien jaar... een man met een jongen in zijn armen... Dirckje, dat is erger dan alles, als het een jonge meid was geweest, als het nu toch maar een jonge meid was geweest, Dirckje! En dan komt de vlucht, de hoon en de armoe volgen. En de vrouw van de onderkoopman wordt werkmeid, visvrouw, vent met koopwaar, spoelt tonnen en vervloekt de armoe. Weer werkmeid en ze vecht zich verbeten omhoog... Geen armoe meer, geen gebrek... daarom wilde ik Geesje helpen, daarom... daarom!!”
Gierend is de huilbui, de spanning van jaren breekt. Dirckje heeft haar losgelaten, want de waardin duwde haar zacht maar beslist van zich af. En zij stond op, waggelde al maar handenwringend rond de grote tafel in de opkamer. En vertelde en jammerde.
„De jaren vergaan, mannen komen en staren me aan met hete ogen... begerig, willen maar één ding... Anna, die doodarme Anna in hun bed. Maar ze hebben geen kans, totdat er één komt die ik zou willen, één met wie ik het nog zou willen proberen. En ook die ene dwaalt van me weg... waarom? Vertel het me, Dirckje, waarom? Wat heb jij dan dat je hem binden kunt? Vertel het me... toe, vertel het me.”
Doodsbleek in een hoek staarde Dirckje naar de radeloze waardin en wist geen raad.
226