daarvoor niet geschikt... een wat harde zelfstandige waardin, een gewezen kostkind, een verlaten vrouw. Weet je Dirckje, hoogstwaarschijnlijk ben ik nog geen weduwe... leeft Swaerdemaeckers nog. Kan morgen terugkomen en mij in zijn bed bevelen.”
„Waardin toch..., waardin, vertel me dat alles toch niet, morgen spijt het u,” drong Dirckje fluisterend aan en verroerde zich niet. „Nee, kind... voor ieder mens komt de tijd, dat hij praten wil, praten moet. Het is nu mijn tijd en je zou je bezondigen als je niet luisteren wilde. Kijk, Dirckje, ik heb gewerkt als een bezetene om mijn jeugd, mijn korte huwelijk, mijn armoe te vergeten, te ontvluchten. Ik ben een kostkind van Aalmoezeniers omdat mijn moeder nog leeft. Wie waren mijn ouders? Mijn vader was een huurling... mijn moeder een Limburgse huismeid. Ze trok mee met de legers, zoals honderden soldatenvrouwen, levend in de trein. En dan komt de dag, die al dat soort vrouwen vreest... een dag... een avond, dat zij over het slagveld dwaalt op zoek naar haar man. En hem vindt, dodelijk gewond, misschien reeds verbloed. Zo’n vrouw is jong en heeft een dochtertje en ze is omringd door hittige kerels... en weduwen wil een leger niet. Soldatenvrouwen of treinhoeren, anders kent zo’n mannengemeenschap niet. Ze koos een man, die geen kind erbij duldde en in gedachten zegen ik haar daarom. Als zij soldatenhoer geworden was... hoe zou ik aan dat lot ontsnapt zijn? En als zij oud en verlept zou zijn uitgestoten? Nu is zij naar de Duitse landen getrokken en haar tweede man heeft een uitgemoorde boerderij gekocht voor een paar penningen. Nu is zij een oude boerin, naast een oude vechtjas, die weer boer werd. En ik, Dirckje... en ik?... Daar was een Amsterdamse, wier man ook gesneuveld was en zij verlangde naar haar stad. En zij wilde een kind om zich heen. Moeder stond mij af, blij dat zij haar man kon tevreden stellen en haar kind bezorgd in een rijke stad. Kinderlijke gedachten van een kinderlijke vrouw. Die vrouw nam mij mee, ik herinner mij niet, dat ze slecht voor me was, maar die gouden droom... och Dirckje, die was gauw voorbij. Ze moest hard aanpakken als werkmeid bij een redersvrouw en daar duldde men ook geen klein vreemd kind. De stad had toch haar vele instellingen? Aalmoezeniers, Huiszittenmeesters, de maagdenhuizen, de weeshuizen? Maar zo’n kind als ik was; een halfwees zonder ouder? Kostkind, ordonneerden de Aalmoezeniers, kostkind!! Bij arme mensen, een rijkaard houdt geen kinderen om eraan te verdienen. De jaren verstrijken en het meisje werkt vanaf haar zesde jaar... in een
225