En Anna Swaerdemaeckers was neergezegen op een schemeltje. Ook zij snikte zachtjes, schopte wat afwezig het geld voor haar voet weg. Haar drift was gezakt.
Dirckje leunde tegen de muur, het hoofd wat achterover, de ogen gesloten, in haar rechterhand nog losjes de glazendoek. De kaarsen in de luchter op tafel flakkerden onrustig door de tocht, die opsteeg uit de herberg.
„Ik wil het u vertellen, waardin,” fluisterde Dirckje.
„Hoeft niet... wees gelukkig,” zei Anna dof.
„Toch... u hebt het recht het te weten, waardin.”
„Ik heb geen recht. Wees gelukkkig met Philippe de Haen.”
„U wist het?”
„Nee, maar ik voel het. Als hij de herberg binnenkomt... de laatste tijd... en vooral de laatste dagen... dan heeft hij een vluchtige blik voor mij... en een warme innige voor jou.”
„Hij heeft niet bij me geslapen, waardin... ik bezweer het u.”
„Ik geloof je Dirckje... en ik weet ook, dat het niet zijn verdienste is. Je zult niet armoedig zijn huis binnengaan, je uitzet is voor mij. Een rijke uitzet, het beste van het beste... zoals ik voor mezelf zou hebben gekozen.”
„Ik heb hem niet weggelokt. De eerste avond stond hij voor een gesloten deur. De volgende dag was hij al vroeg en at hier. En hij praatte met me over gewone dingen. En geen dag sloeg hij meer over. En... en... langzaam kwam het. Als hij naar mij keek en met me sprak, werd ik iemand anders. Geen meid meer, maar een vrouw, die gezien was door een knappe man, een vrouw naar wie verlangd werd. Ik zag het aan hem, alles betekende iets voor hem, mijn ogen, mijn haar, mijn armen, zelfs mijn grove werkhanden, die hij even streelde. En dan... ik weet het niet, alles wilde ik hem geven, maar niets heb ik gedaan... niets. En ik weet niet waarom.”
„Ik weet ’t, Dirckje, ik weet ’t,” zei Anna wat ongeduldig, „ik was te oud voor Philippe de Haen, misschien toch wat te begerig voor zo’n vrouwenkenner. En ik was tóen nog niet de laatste... tóen nog niet. Nu zal jij de laatste zijn, Philippe de Haen heeft voor de laatste keer gevrijd. Hij zal je trouw zijn, hij verlangt nu naar een goed verzorgd huis met een lieve zachte vrouw. Naar een paar kinderen, naar een burgerleven, misschien een zetel in de vroedschap... een stille hoop naar de Schepenbank, kolonel van de schutters... omhoog, omhoog, er zijn toch vier burgemeesters in Amsterdam? Ik was
224