Na het avondbrood zouden de waardin en Dirckje doorwerken in de opkamer, het fijnste kristal omwassen en het zilverwerk poetsen, Geesje had beloofd te komen helpen, zodra zij haar man verzorgd had.
Anna was tijdens de maaltijd opvallend stil geweest en tersluiks hadden de meiden haar aangekeken toen zij treuzelde met danken. Maar toen zij alleen met Dirckje in de opkamer was, zei Anna fel: „Wie is er op een avond binnen geweest? Toen ik in Rotterdam was?”
„Niemand.”
„Dirckje, waarom lieg je,” stoof Anna op.
„Ik lieg niet.”
Driftig opende Anna de kussenkast en wierp de handschoenen voor Dirckje’s voeten.
„Wie heeft er in mijn huis bij jou geslapen!” riep Anna uitzinnig van woede.
„Niemand,” zei Dirckje nog steeds kalm, maar grote tranen rolden over haar wangen.
„Niemand... niemand!! Del, die je bent... de onderschout heeft je dan eindelijk te pakken gekregen... daar liggen zijn handschoenen, ze komen uit je snollennest.”
Met één stap was Dirckje Swaen bij Anna. Ze greep haar pols en Anna schrok van de ogen van dit anders zo zachte boerenmeisje. „Pieter Ravesteyn blijft voor u, waardin. Er komt een dag, dat hij uit uw handen eet... en dat u hijgt en kronkelt in zijn greep.” „Dirckje!!” gilde Anna en begon te huilen.
„Ja... het is gemeen van u... gemeen... gemeen... die handschoenen zijn een cadeau, een geschenk met heel mijn hart voor iemand.”
Ook Dirckje snikte nu.
En zo vond hen Geesje, die verbaasd het trapje van de opkamer bestegen had toen zij bij het binnen stappen van de herberg de felle vrouwenstemmen hoorde en hun gebaren zag door de glas in lood-vensters van de opkamer. Een vreemd poppenspel.
Anna had het eerst haar beheersing terug, zei zakelijk:
„De onderschout had zulke handschoenen.”
„Iedereen kan ze kopen... er is een hele lading uit Italië gekomen,” snikte Dirckje.
„En vertel me dan eens, voor wie heb je zo’n kostbaar cadeau gekocht? Welke man heeft jou gevraagd?”
222