„U hebt uw Christus belooft hem te volgen en iedere dag hebt u hem verloochend.” Driftig sloeg de Schout met zijn vuist op tafel en mompelde:
„Die... die verwaande... Esseër!”
Toen stond hij op en glimlachte.
Het viel niet mee voor Geesje Seghers. Het vermoeiende werk in een eethuis was ze ontwend en het verschilde zo met het eenzame huishoudinkje van een jonge zeemansvrouw, dat zij de eerste avonden stilletjes huilde in haar bed. Jan Seghers was geen lastige zieke. Geduldig lag hij maar te wachten totdat zij thuiskwam en sprak de hele dag geen woord met de werkvrouw, die het huis schoonhield en onopvallend op hem paste. Maar als Geesje dan de kamer binnenstapte, volgde hij haar met de ogen. Soms kon Geesje niet begrijpen, dat hij zwakzinnig was, zo klaar en helder waren zijn vragen en antwoorden over de dagelijkse dingen. Maar meestal eindigden hun gesprekken abrupt omdat hij dan over zijn proces begon. De laatste dagen had hij iets nieuws. Steeds vroeg hij om geld. Alles wat zij maar missen kon, moest ze hem geven. Ze deed het in de hoop, dat hij het spoedig vergeten zou. Hij had een grove wollen kous aan haar gevraagd en daarin stopte hij dat geld en verborg dan de kous onder zijn hoofdkussen. Zij had hem gevraagd waarom hij geld nodig had en als antwoord had hij geheimzinnig gefluisterd dat het bestemd was voor de advocaat, die de dokter bezig was te zoeken om het proces aanhangig te maken.
Haar verhouding met Dirckje Swaen was gespannen. Dirckje verdedigde haar verworven plaats als eerste meid en gaf Geesje bevelen. Ook hinderde het Dirckje, dat vooral de jonge kooplieden opvallend veel aandacht schonken aan de slanke knappe Geesje en hun bewondering uitdrukten met ruime fooien. Een getrouwde vrouw moest stugger zijn, vriendelijk, meer niet. Maar Geesje was niet stug en hield het fooiengeld goed in het oog, want er waren veel extra kosten en iedere dag kocht zij wat lekkers voor haar man.
Ook het medeleven van Anna Swaerdemaeckers was verminderd. Ze had gedaan wat zij als mens verplicht was. Geesje had haar brood, die arme stuurman was voor heel zijn leven gedoemd en daarvoor was toch geen genezing. Bovendien eiste 'De Lenteblom’ haar volle aandacht in deze moeilijke oorlogstijd, die alles onzeker maakte. Ze was vriendelijk tegen Geesje, informeerde plichtsgetrouw iedere dag
220