kan varen en zijn brood verdienen, dat voor hem nog wat gelukkige jaren overblijven?”
„Dokter, hou op!” riep de Schout en trommelde nerveus op het tafelblad. „Ik geloof, dat dominee De Geer gelijk krijgt. Dit wordt Godslastering of erger... Godloochening.”
„Noch het één, noch het ander, mijnheer de Schout. Deze stuurman is zeer godgelovig. Hij staat zo dicht bij de Almachtige als de aartsvaders. Die spraken en twistten toch ook met Hem? Zagen Hem als een machtige patroon, waarmee zij iedere dag belangrijke zaken hadden te bespreken. Als een mens ruzie maakt met het Opperwezen, als hij God iets verwijt, dan is hij zo doortrokken van het besef dat God bestaat, dat de Almachtige het niet beter zou kunnen wensen. Deze stuurman wandelt met God... vreemd, mijnheer de Schout, met gebroken dijbenen machteloos op zijn bed... en hij wandelt met God. De Godslastering van Jan Seghers is méér en beter dan een gebed.”
Chajim Todelche rees op, afwachtend totdat de Schout hem zou veroorloven te vertrekken. Ook de Schout stond op, kwam op de dokter toe en legde zijn hand op diens schouder.
„Dokter Todelche, er is een waarheid in uw woorden. Maar hebt u nu werkelijk gedacht aan de mogelijkheid, dat Schout en Schepenen de Vierschaar zouden spannen tegen God? Zou het woedende volk ons niet allen stenigen omdat de overheid de grondslag van onze hele samenleving bespotte?”
De dokter dacht lange tijd na, terwijl hij zijn hoed in de handen ronddraaide:
„Ik begrijp het, mijnheer de Schout. Hier kan de overheid een zwakzinnige geen hand reiken om hem uit de waanzin te trekken. Men redt een drenkeling uit een gracht of een kind uit een brandend huis, men zal aalmoezen uitreiken..., maar dit kan de overheid niet doen.”
Chajim Todelche boog, keerde zich om en liep naar de deur. Weer zag de Schout die stoere onverzettelijke rug, welke hem bij het eerste onderhoud zo was opgevallen. Het maakte hem een beetje kregel en daarom zei hij overluid:
„Wat gaat u doen, dokter?”
De dokter keerde zich niet om toen hij antwoordde:
„Ik zal jarenlang een spel spelen met Jan Seghers. In de hoop, dat God ons ziet en meespeelt. En glimlacht... en Jan Seghers geneest.”
Sprakeloos keek de Schout naar de deur, die de dokter achter zich gesloten had. Hij herinnerde zich woorden uit hun vorig gesprek.
219