De trotse Geesje gehoorzaamde, beet zich even op de lip en kon het van zichzelf niet begrijpen, dat zij die Amsterdamse niet onmiddellijk van repliek diende. Maar het ging om Jan, ze zou heel veel moeten gaan slikken om Jan, flitste het door haar hoofd. De grendels werden weggeschoven, een ketting rammelde, de deur werd geopend. De huismeid belichtte haar nog eens extra met de kaars en zei:
„Jij bent die van achter ons.”
„Ja, die ben ik en roep nou de dokter. Ik kwam niet om jou.”
Geesje had het hoofd weer in de nek, ze was nog lang niet gebroken. De huismeid liet haar wachten in het voorhuis, terwijl ze de trap besteeg om de dokter te roepen. Wat haastig, volgens zijn gewoonte, kwam Chajim Todelche uit zijn werkkamer naar beneden, zijn bril nog in de hand.
„Is het ernstig?” vroeg hij.
Geesje schudde het hoofd, opeens kon ze niet antwoorden, zo neep haar keel en brandden haar ogen.
„Kom maar binnen, hier in de woonkamer,” zei hij vriendelijk.
Hij stootte de deur open en liet haar voorgaan. Op de drempel bleef zij staan, het hoofd weer in de nek, maar de ogen glinsterend nat en de wangen hoogrood.
Zo zag haar Reize. En Genendel.
Reize rees op van haar stoel, wisselde een snelle blik met Genendel. Een blik, die drie woorden betekende: Oi, die goie?
Ook Genendel stond op. Geesje zag, dat zij zware rouw droeg en dat het beeldschone gezicht wat verouderd was en van een ernst getuigde, zoals zij nog nimmer bij een jonge vrouw had gezien.
„Wacht u hier een ogenblik,” zei de dokter, „ik zal me kleden om met u mee te gaan.”
„Dat hoeft niet, dokter. Morgen is dat tijd genoeg. Ik wilde u eerst even vooraf spreken,” antwoordde Geesje.
Reize gaf Genendel een wenk, beiden wilden de kamer verlaten. „Blijft u maar hier,” zei Geesje, „mijn verhaal is geen geheim.”
De vrouwen aarzelden want Chajim Todelche was inzake zijn patiënten niet makkelijk. Maar nu knikte hij toestemmend en zij namen weer plaats.
„Vertelt u maar,” zei hij en bood Geesje een stoel aan.
En Geesje vertelde in het kort van Jan Seghers. Van zijn verwondingen, van de verwarring in zijn hoöfd, van dokter Gillis Navander,
212