of hij soms iets wilde. Anne Swaerdemaeckers zei:
„Breng mijn huik mee, Geesje. ’t Wordt kil.”
„Je kan beter in de roef kruipen, joffer,” riep de schipper, „straks wordt het nog kouder en ginder hangt een bui.”
Anna zag het. In de verte naderden zware regenwolken. Een beetje teleurgesteld pakte zij haar mand en volgde Geesje in het roefje. De schipper hielp haar met de mand, woog het ding in zijn hand en zei:
„Nou, nou, je houdt vast te veel over.”
„We hebben er op gerekend, als je soms schipbreuk lijdt, schipper en we ergens op een onbewoond eiland aanspoelen,” antwoordde Anna, terwijl ze vanuit het roefje naar hem opkeek. Toen sloot ze het deurtje voor zijn verblufte niet al te snuggere gezicht, maar even later stak ze haar hand door een kier en gaf hem twee sneden brood en een paar eieren. Hij schrokte het op en lurkte weer aan zijn Gouwenaartje.
Jan Seghers sliep nog. De dekens waren wat weggegleden. Geesje schikte ze zachtjes. Ze keek naar haar man, naar dat benige vervallen gezicht, omkranst door de blonde baard. Naar de diepliggende ogen in de bijna zwarte kassen. Een vreemd gelaat.
Geesje zette zich neer naast de waardin op de andere bank.
„Het is net alsof ik zo’n gezicht meer heb gezien, waardin,” fluisterde zij.
„Ja,” antwoordde Anna gedempt, „ja... op de schilderijen van de Roomsen. Zo tekenen zij Christus aan het kruis.”
Geesje huiverde, trok haar huik vaster om het lichaam. Zij hoorden de regen kletteren. Zwijgend zaten ze in de donkere roef te wachten tot het weer zou opklaren, terwijl de trekschuit gestadig voortgleed door het Hollandse landschap...
Anna Swaerdemaeckers was bijna veertien dagen op reis geweest. Ze was blij weer thuis te zijn, maar toch... ze had wel veel langer willen wegblijven, wegdwalen naar verre landen, om... en haar hart bonsde van schrik bij deze vreemde gedachte... misschien nooit weer terug te komen.
Dirckje Swaen en de keukenmeiden glunderden. Het deed Anna goed. Er waren dus toch mensen voor wie ze iets betekende, die haar nodig hadden.
210