„Misschien was het geen echte speelman en deed hij het voor zijn plezier. Op een middag klopte ik kleedjes en toen lachte hij tegen me en begon voor me te spelen. Oh, waardin, het was zo prachtig... en een verdieping lager zat de vrouw van de dokter met zo’n gezicht! Omdat hij voor me speelde en vriendelijk was. Ik heb hem nooit weer gezien. Hij zal wel terug zijn naar zijn land of misschien dwaalt hij weer door verre streken, ’t Was een knappe kerel, waardin.”
Geesje glimlachte nog en Anna Swaerdemaeckers was blij, dat de jongevrouw nu aan iets anders dacht.
„Zo Geesje, dus hij lachte en was vriendelijk en jij luisterde en keek natuurlijk stuurs want je bent getrouwd.”
„Waarom stuurs? Moet een getrouwde vrouw iedere lach, iedere bewonderende blik van een andere man met een zuur gezicht afwijzen? Waarom? Steekt er kwaad in een klein dankbaar lonkje?”
Anna Swaerdemaeckers antwoordde niet direct. Ze dacht even na, zuchtte en antwoordde:
„Eerlijk, ik weet het niet. Maar het is gevaarlijk, want door één vriendelijk lachje van een vrouw verbeeldt een man zich dat hij verder gaan kan. Ja Geesje, op een lonkje komen ze aanhollen en ook als ze wat te eten zien. Let op Geesje.”
Nieuwsgierig en nog steeds opgewekt keek Geesje naar de waardin, die zich met pretogen over de mand boog, welke toegedekt bij haar voeten stond. Anna spreidde de geruite doek op haar schoot, bukte zich weer om het tarwebrood en een mes te pakken. Wat zij verwacht had gebeurde. De schipper zette zijn roer vast, schreeuwde iets naar de jager, klom op de roef en slenterde met langzame stappen naar de vrouwen. Begerig keek hij over hun hoofden in de mand, die wel voorzien bleek van brood, kaas, gekookte eieren, kruidkoek en een blauwgrijze kan melk. Nauwlettend volgde hij Anna’s bewegingen. Zij sneed een paar forse sneden brood, belegde die met een dikke plak kaas en reikte ze aan Geesje. Zelf nam ze ook een snee en hapte stevig.
„Dat ziet er goed uit, joffer,” zei de schipper, terwijl hij zijn pijpje uitklopte in zijn hand.
Anna keek op en antwoordde:
„En als er nou geen as op waait, smaakt het goed ook.”
De schipper schrok een beetje en stopte verbouwereerd de hand met as in zijn broekzak. Anna zag het en knipoogde tegen Geesje, die zich nu verslikte van pret.
208