drukke herberg niet verliet en leefde in keukengeuren, dranklucht en tabaksrook.
Geesje tuurde wat dof voor zich uit. Ze dacht aan de toekomst. Een verwarde misschien wel krankzinnige man, die nooit meer zou kunnen uitvaren al zouden zijn gebroken dijen genezen. Want geen reder nam een gekke stuurman in dienst. En wat zou het allemaal wel kosten voordat hij weer lopen kon? En waarmee kon een gek zijn brood verdienen... het was niet ernstig, meestal sprak hij heel gewoon en gezond over de daagse dingen, maar dan kwam opeens weer die dwanggedachte, dat hij procederen moest tegen God omdat die scheepsjongen was verdronken. Misschien kon hij manden vlechten, of tegels beschilderen, of wilde een meester hem een vak leren. Een vak, zou hij dat ooit kunnen? Zou een man met de zee tot in het merg van zijn botten kunnen aarden in een stad ? Maar waarvan moest alles betaald worden, de dokter, hulp in huis als zij weer werken ging als dienster in 'De Lenteblom’. De waardin had haar volle steun beloofd, maar een meid in een drooggasterij verdiende nooit zoveel als een man. Misschien kwam alles toch goed, hopelijk zou dokter Gilles Navander het allemaal niet zo somber inzien als die dokter in het Rotterdamse gasthuis.
Geesje zuchtte. Anna Swaerdemaeckers legde haar hand op haar arm... dat oude vertrouwde gebaar. Hoe lang was dat geleden, de laatste keer dat zij dat deed? Vorig jaar, vorig jaar mei toen zij gelachen had in de kerk... en nu was het begin april.
„Niet treurig zijn, Geesje. Het komt allemaal terecht.”
Geesje antwoordde somber:
„Het komt niet terecht, ik voel het. Mijn leven is voorbij. Ik zal tot zijn dood een gekke man verplegen, ik zal geen kinderen krijgen, ik zal niet de vrouw zijn van een commandeur. En ik zal oud en versleten zijn voor mijn tijd.”
„Die waangedachte trekt wel weg, Geesje. Met de jaren. Als we thuis zijn, zal ik die jodendokter roepen in plaats van Gillis Navander. Hij heeft Ysbrandt de Graef ook genezen.”
„De jodendokter? Welke? Er zijn er meer.”
„Die uit de Zandstraat, hij moet achter je wonen.”
„Ja... ja... ja... waar die speelman heeft gewoond.”
Geesje’s gezichtje klaarde wat op, zij glimlachte zelfs terwijl ze peinzend over de weiden tuurde.
„Heeft daar een speelman gewoond?” vroeg Anna nieuwsgierig.
207