ik eis alleen maar Zijn schuldigverklaring... géén straf, geen straf.” „Jan, zeg dat niet weer. Je hebt nog koorts en later heb je er spijt van,” zei Geesje ongerust.
„Nee... nee, Geesje. Ik heb me voorgenomen God te dagvaarden om Douwe. Dat gebeurt. Maar ik zal er niet meer over spreken tot ik beter ben. Neem je me mee?”
„Als de dokter het goed vindt en als je sterk genoeg bent,” antwoordde Geesje aarzelend.
„De dokter heeft niets goed te vinden. Ik wil naar huis. Dan binden jullie me maar op een plank en dragen me zo de trekschuit in.”
Hij lachte, streek langs zijn wangen en baard. Zei:
„Mijn baard doet het goed.”
„Wou je die laten staan?” vroeg Geesje verbaasd.
„Ik moet wel. Straks verschijn ik in een rechtszaal vol baardige mannen. Mijn aanklacht tegen God zouden ze nauwelijks aanhoren als ik er zo jong uit zie. Nee... nee, waardig en met een baard. De kleermaker moet mij een zwarte tabberd aanmeten. Heb je nog geld, Geesje?” „Ik heb de laatste gage gebeurd,” zei ze toonloos.
„De laatste gage? En niets meer?”
Hij richtte zich moeizaam op. „Niets meer? Heeft Simon de Bye jullie af gescheept met een paar gulden? Geesje... hoe moet dat tot ik weer beter ben?”
„Ik zal gaan werken, Jan. Ik kan weer beginnen in 'De Lenteblom’.”
Hij sloot de ogen. Anna Swaerdemaeckers pakte zijn hand, boog zich wat over hem heen en zei:
„Maak je maar geen zorgen, Jan Seghers. Geesje zal goed worden betaald.”
Hij begon zachtjes te huilen.
„Laat ons niet verkommeren, waardin. Bespaar ons de Aalmoezeniers en de Huiszittenmeesters... bespaar ons dat, Anna Swaerdemaeckers. Straks zal ik weer kunnen uitzeilen en je alles terugbetalen.”
„Wees gerust, Jan Seghers,” antwoordde Anna en streek hem over het ingevallen gezicht. Hij snikte, zijn mond hing wat open. Een beeld van vertwijfeling.
De volgende dag kwam de haringreder Gerrit Huygensz mee met de vrouwen. Hij regelde alles met de Regenten van het gasthuis en een paar dagen later verzorgde hij met zijn knechten het transport naar de trekschuit, die Anna Swaerdemaeckers geheel had gehuurd.
Toen de smalle baar in het roefje was geplaatst, tikte de gemoede-
205