Kaarsrecht, de wangen vochtig, de ogen behuild, 20 trad Geesje Seghers 'De Lenteblom’ binnen. Eerst toen zij voor de toog stond, groette zij de waardin, die haar sprakeloos had zien binnenstappen. „Joffer Seghers,” zei Anna Swaerdemaeckers, „het is bijna een jaar na de zondag, waarop je me met de maaltijd liet zitten.”
„Joffer Seghers zal niet meer komen, waardin... joffer Seghers is weer Geesje van Jisp en vraagt om werk.”
Ze keken elkander aan. En Geesje zag de welvaart in de rustige ogen van Anna Swaerdemaeckers. En de waardin zag het verdriet en de overgave.
„Geesje, wat is er gebeurd?”
Met een paar snelle stappen kwam Anna achter de toog vandaan. Geesje week terug, ze wilde niet dat de waardin troostend een arm om haar schouders zou leggen.
„Mij is overkomen wat duizenden vrouwen van dit land wacht. Jan... het schip van Simon de Bye is in de grond geschoten door de Brit.”
Zij strekte haar hand uit en toonde het geld van de laatste gage. „Dit is alles,” vervolgde zij, „daarom vraag ik werk. U kunt me nemen, ik heb geen kind.”
Anna Swaerdemaeckers deed alsof zij het laatste niet hoorde, maar het felle verwijt was haar niet ontgaan.
„Met man en muis?” vroeg de waardin en slikte pijnlijk een opkomende huilbui weg.
„Eén man is aangebracht in Rotterdam. Maar hoe? En waarom zou die juist Jan Seghers zijn?”
Tersluiks veegde Anna over de ogen, nog eenmaal slikte zij iets weg en toen had zij haar beheersing herwonnen.
„Morgenochtend vertrekt de beurtschipper naar Rotterdam. We gaan daar heen... ik wil zekerheid voor je hebben.”
„Wij?”
„Wij. De waardin van 'De Lenteblom’ is niet alleen geld, joffer Seghers.”
Geesje Seghers boog het trotse hoofd, verborg het gezicht in de handen en fluisterde:
„Dank u, waardin.”
Toen leidde Anna Swaerdemaeckers haar naar de wenteltrap. Naar boven, naar haar eigen vertrek, de vroegere kamer van Ysbrandt de Graef.
Voordat zij naar Rotterdam vertrokken, riep Anna Swaerdemaeckers
200