„Waarom?... Waarom dat kind, God? U hebt gezegd: Laat de kinderen tot Mij komen... moest Douwe zó komen, God? Zó!... Volgelopen met zeewater? Met een gebroken bekken? Antwoord mij, God... wat heeft dit kind misdaan? Netjes en onbevangen heb ik hem gezien, vol verwachting en open voor het leven. Hij heeft het zwaard niet opgenomen, God, met de barbier is hij rondgegaan en heeft verbonden en getroost. Weet u wat dat betekent voor een kind, God ? Verbloedenden en verminkten verbinden en hun toespreken... hun de ogen toedrukken? Bent U dan toch alleen maar de Heer der Heirscharen? De God der Wrake? En is Christus een leugen? Antwoord dan, God. Hier lig ik weerloos voor U, hier op het water van Uw schepping... weerloos!! Ge kunt me laten verhongeren en verdorsten, Ge kunt me roosteren met Uw zon, Ge kunt me verstijven met Uw ijzige wind, Ge kunt me laten verslinden door Uw haaien. Alles kunt Ge, God! Alles... maar Ge kunt me niet antwoorden waarom Douwe moest creperen... dit kind... dit kind!! God!”
Hij wentelde het hoofd heen en weer, beet in zijn pols omdat hij vocht tegen zijn koorts. En God niet kon vervloeken.
De uren verstreken. De hemel verkleurde, de nacht was in aantocht. Denken kon hij niet meer, ook niet meer praten. Werktuiglijk spuwde hij het zoute water uit en wachtte en wachtte. Op niets.
Een jol kwam langszij. Een lijn werd vastgemaakt aan het luik.
Jan Seghers voelde, dat het heviger begon te deinen, maar ook bemerkte de ervaren zeeman, dat het luik een vaste koers volgde. Oprichten kon hij zich niet meer, het enige wat hij nog besefte, was zijn verkrampte verkleumde greep om de pols van Douwe. En dat hij zout water uitspuwde met de regelmaat van een klok.
Het was grauw van schemerlicht geworden. Hij zag geen hemel meer, een donkere gewelfde muur rees naast hem op... een scheepswand, waaruit de kanons staken als zwarte theepot-tuitjes. Theepot... thuis... moeder... thuis... Geesje. Het deinen hield op, hij voelde zich langzaam ten hemel varen, langs de donkere muur naar de nachtblauwe koepel met de flonkerende sterren. Hoger en hoger... een onbeschrijflijke kou overviel hem, maar Douwe liet hij niet los. Hoger, hoger... naar de hemel, naar God... ja naar God, voor Zijn troon zal hij zich moeten verantwoorden voor zijn laster, voor zijn verwijten om dat dode kind. Niet bang zijn, stuurman, ook God kan
197