Wrakhout dreef op het water, mannen hadden zich eraan vastgeklampt, riepen om hulp, zwaaiden met hun laatste krachten voordat zij verdronken. En de Britten maakten klein zeil, verwijderden zich van het deinende wrakhout en de gedoemde mannen. Laat ze verrekken, die smerige Hollanders, de zee is van ons...
Namiddag. Een luik dreef op het groengrijze water. Het deinde wat, makke witte gekuifde golven overspoelden het van tijd tot tijd... en ook de twee lichamen die er op lagen. Eén op de buik, het gezicht verborgen in de gebogen arm, het ander op de rug, het gelaat naar de hemel, de armen gespreid, één hand de rand van het luik omklemmend.
„God...” fluisterde Jan Seghers. „God... laat me haar nog eenmaal zien. Ik weet het, ik heb Uw gebod overtreden, ik heb gedood. Ik ken Uw woord, ik heb het zwaard genomen en ik zal er door vergaan. Maar, Heer, U bent toch niet alleen de God der Wrake? Ons werd geleerd, dat U de Meester der liefde bent. Begrijp me goed, God, ik wil niet huichelen, maar laat me nog eenmaal bij Geesje zijn, nog eenmaal en verdoem me dan,-verstoot me dan, zo U dat belieft.”
Hij sloot de ogen, wendde het hoofd terzij, spuwde voor de zoveelste keer het zilte water uit. Hij tastte naast zich naar het andere lichaam, schudde het, rukte aan het hemd.
„Douwe... volhouden, Douwe... God zal je helpen. Heus, Douwe, Hij is wel onbegrijpelijk, maar Hij is goed. Douwe... toe jongen, praat met me... dan kun je beter volhouden... toe, het gaat wel goed... de stroom is hier op de kust.”
Douwe antwoordde niet. Met moeite richtte Jan Seghers zich op zijn ellebogen op, schuifelde voorzichtig op zijn billen naar Douwe, want zijn dijbenen waren gebroken. Half over de scheepsjongen liggend, keerde hij het kindergezicht naar zich toe. En zag de Dood.
Jan Seghers huilde met gierende vlagen, liet zich moedeloos achterover vallen. Een wat forser golf overspoelde het luik. Hij rilde en spuwde weer, maar hij hield het hemd van Douwe krampachtig vast, een gevoel van onpeilbare eenzaamheid had hem overvallen. En al was het dan een lijk, toch was het nog iets menselijks in deze ontzaglijke oneindigheid van hemel en water.
Hij kreunde, zijn benen deden ondraaglijk pijn. Rillingen liepen nu langs zijn lichaam, zijn hoofd gloeide van koorts. Weer overviel hem een huilbui en hij begon weer te praten. Tegen God.
196