De Soete Bazinne

Titel
De Soete Bazinne

Jaar
1960

Pagina's
314



een deeltje, een spatje schuim van deze geweldige watermassa. Meer niet... meer niet...

En thuis? Ja thuis in Amsterdam, een huisje aan de Raamgracht en daarin een jonge vrouw. Blond, slank, fris. Veertien dagen was hij getrouwd, toen moest hij uitzeilen op dit hechte schip van Simon de Bye. En Geesje bleef achter, Geesje uit Jisp, dienster van Anna Swaer-demaeckers, de waardin van 'De Lenteblom’. Door haar huwelijk opgenomen onder de joffers van Amsterdam. Geesje... kom, Geesje, je beeld is onduidelijk geworden na bijna een jaar op zee. Hoe zie je er nu uit?

Blond, ja, dat weet ik. En je ogen zijn grijs, en je neus is klein en recht... en je oren, ja, die zijn ook klein en liggen vlak langs je koppetje, verdekt door de blonde haren. En je mond... je mond is wat begerig Geesje, je bent mijn wijf, maar je mond is eigenlijk wat ontuchtig. Daarmee heb je me overwonnen. Een onmeedogend wapen, Geesje. .. maar een zeeman is mild en je hebt je zelf niet gemaakt. Ik verlang naar huis, Geesje, ik herinner me de eerste dagen. Vertel eens, is er een jonge Seghers als ik thuiskom? Een kereltje... een toekomstige zeeman, een kapitein, een commandeur, een... admiraal? Mijn zoon moet tot aanzien komen, geen stuurman op de koopvaarder van een schriele reder. Kom Geesje, waar ben je? Kom, zend je geest over de wateren, kom naast me, hier aan ’t roer... kom in Gods zaal, in de oneindigheid en huiver even gelukkig als ik.

Vuren doemen op aan de horizon. Vooruit, aan stuurboord, aan bakboord, als de ogen van jagende wolven. De uitkijk schreeuwt. Boots-mansfluitjes snerpen, het volk tuimelt uit de hangmatten, de schipper is al boven op zijn dek. In zijn onderbroek, een deken om tegen de kou. „De vloot! Schipper! ” roept Jan Seghers.

„Ja... maar het is de Brit! Doek minderen! Gevechtsklaar maken! ” „Zesendertig kanons, schipper? Tegen de Engelse vloot?” roept Jan Seghers weer.

„Muil houenü Doek minderen... open die konstabelskamer!!” De schipper verdwijnt om zijn bovenbroek en zijn kolder aan te trekken. En om een glas jenever om te slaan voor zijn vechtlust.

De vuren worden helder, steeds talrijker.

„Zeewolven,” gromt de schipper, „in troepen... dan durven ze.”

Hij tuurt naar de vuren aan de horizon. Nerveus kauwt hij op zijn hangsnor. Jan Seghers komt naast hem staan.

„Alleman is op zijn plaats, schipper.”

193

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.