„Een qehiloh zendt geen drie mannen uit als een Bar Jisroël op zijn bed is ingeslapen,” zei Manasse en streek zijn baard, de ogen weer gesloten. „Ik kon het de bruid niet vertellen,” verontschuldigde zich de jongeman. „Dat zal je ten goede zijn in Gods register,” antwoordde Manasse.
Toen vertelde de jongeman:
„Hij overnachtte tweemaal in mijn vaders huis. Overdag bezocht hij zijn handelsrelaties. De avond voor zijn vertrek naar Mechelen kwam er een jonge Marseillaan bij hem met een uitstekende aanbevelingsbrief van één der grootste Engelse wolhuizen. Hij vertelde vernomen te hebben, dat Isaï Krumbach naar Italië trok en of hij zich bij hem mocht aansluiten. Isaï stemde toe, hij vond het blijkbaar prettig die lange reis niet alleen te moeten maken in gezelschap van een rijknecht.
Maar in Mechelen kwamen zij niet aan. De joodse huisvader, aan wie Genendel Kossmann had verzocht hem tegemoet te rijden, vond hem en de rijknecht neergeschoten op de weg. Drie paarden stonden nog bij de lijken, Isaï’s paard was dood en lag half over hem heen. De Baljuw en zijn dienaren waren er spoedig... er werd geen geld of kostbaarheden vermist. Eén zadeltas was opengesneden en de brieven lagen over de weg, sommige met bloed bevlekt. De Baljuw heeft deze in beslag genomen en hij vermoedt, dat Isaï en de knecht in de rug zijn neergeschoten door een ruiter, want hij vond een wirwar van hoef-afdrukken van een paard dat snel was gekeerd. De lijken zijn vrijgegeven en we hebben hen in Antwerpen begraven. De Schout heeft de stad laten uitkammen op zoek naar de jonge Marseillaan, omdat de Baljuw hem verdenkt van de moord. Vergeefs. En het motief? Wisten we maar waarom! Waarom twee jongemannen zomaar langs de weg werden omgebracht.”
Manasse Gompertz rees op.
„Chajim, nóóit mogen Genendel en Reize dit weten. Nóóit Chajim.”
De dokter knikte, het hoofd in de handen en bleef zitten. Toen wenkte Manasse Gompertz de drie jongemannen en zei:
„Kom nu mee. Ik zal jullie je kamer wijzen. Ga slapen tot het avondmaal, gezegende slaap voor goede mensen.”
Zij volgden hem langzaam, want zijn oude lichaam besteeg nog slechts moeizaam een trap...
189