Toen gingen zij langzaam naar de deur, bogen nogmaals voor Genendel en verlieten snel het huis.
En in Chajim Todelche’s woonkamer bleef het doodstil. Nog steeds stond Genendel als vastgenageld, de ogen gesloten en Reize gedrukt tegen de muur. De dokter stond bij de schouw en keek bezorgd naar de vrouwen. Genendel opende de ogen, zij waren nu hard en gloeiden koortsig. En de dokter zag haar traag de armen opheffen en het hoofd heel langzaam achterover buigen. Ongerust hield hij haar in het oog en schrok van Reize, die met één snelle stap bij Genendel stond. Wild legde zij haar hand op Genendels geopende mond... en Genendel beet in die hand, terwijl zij door haar knieën zonk, de gebalde vuisten dreigend ten hemel schuddend.
„Genendel!!... Genendel!!... Vervloek Hem niet!!... Haqodaush! Haqodaush!!... boroech hoe!!!” smeekte Reize.
En Genendels vloek smoorde in de bebloede hand van Reize Todel-che, die naast haar was neergeknield. En Genendel, op haar knieën, wiegde het lichaam heen en weer, sloeg toen met het voorhoofd tegen de grond en riep in gierend huilen: „Isaï! Isaï! Isaï!!!"
Chajim Todelche verliet onhoorbaar de kamer; voordat hij sloot, keek hij door de kier van de deur, zag Genendel als een hulpeloos kind in de armen van Reize, zijn vrouw.
De jongemannen waren binnengenood bij Manasse Gompertz, die door zijn patriarchale verschijning niemand de kans had gegeven. Bij hem zouden ze logeren, bij hém, een Oudste van Israël. Toen Chajim Todelche zijn woonkamer binnentrad, zat Manasse aan het hoofd van zijn tafel en de jongemannen aan één van de lange zijden. Een nerveuze huishoudster had zojuist een kan wijn en glazen gebracht. Manasse wees Chajim zijn plaats aan de andere lange zijde tegenover de boodschappers. Toen sloot hij de ogen en wachtte met gevouwen handen.
„Ik wilde even alleen met dokter Todelche spreken,” zei de jongeman. „Al ben ik aanwezig, je spreekt toch alleen met Chajim Todelche,” antwoordde Manasse vastbesloten.
„Ja maar...” verweerde zich de jongeman.
„Spreek en verlies geen tijd!” gebood Manasse, „vertel ons van de moord op Isaï Krumbach.”
„U wist het reeds?”
188