De Soete Bazinne

Titel
De Soete Bazinne

Jaar
1960

Pagina's
314



Dodelijk geschrokken zag Reize de mannen in haar huiskamer binnentreden. Zwijgend wees Chajim Todelche hun een stoel, maar zij wilden niet plaats nemen. De oudste nam zijn hoed af. Zijn achterhoofd was bedekt met een kapje. De twee anderen volgden zijn voorbeeld, keken bedremmeld naar Reize, die lijkbleek tegen de muur gedrukt stond, een hand voor de mond en de ogen star gericht op de jongemannen.

„Dokter Todelche,” zei de oudste, „het is zeer moeilijk om de juiste woorden te vinden... we moeten u een ongeluk... een ernstig ongeluk melden.”

Reize Todelche steunde met de handen tegen de muur, haar nagels bekrasten de houten lambrizering. Met moeite hield zij zich op de been, haar tranen brandden in haar ogen. Zij gilde opeens:

„Chajim!!... Genendel! ”

De deur was geopend, Genendel stond in de kamer. De jongemannen keerden zich om, bogen diep. Het beeldschone gelaat als versteend, de ogen vol helse angst, kaarsrecht, de handen voor de borst, zo zagen zij Genendel even het hoofd buigen als antwoord op hun groet. Chajim Todelche deed een paar snelle stappen, stond achter haar, hief zijn handen om haar te steunen, maar zij weerde wat afwezig af. Zij vroeg met haar zachte welluidende stem:

„Heeft hij geleden?”

De jongeman keek haar lange tijd bedremmeld aan, toen vorsend naar Chajim Todelche. Hij haalde diep adem voordat hij antwoordde: „Hij heeft niet geleden. We vonden hem dood in bed... ingeslapen als een gelukkig kind. De qehiloh Antwerpen heeft zijn begrafenis verzorgd. Hij rust bij de Ashkenaziem. Een weesjongen is zijn Kaddish.”

Twee tranen rolden langs Genendels roerloze gezicht. Toen knikte zij en reikte hun alle drie de hand.

„Dank de qehiloh Antwerpen in de persoon van hun Parnassijns. Ook zal ik uw weeshuis begiftigen en ik wil u de tekst voor de maceiboh meegeven en op de dag van de onthulling zal ik er zijn.”

De jongemannen bogen en zetten hun hoeden weer op. Toen snikte Reize: „Wilt u... u moet toch hier logeren... u kunt toch niet in een herberg, bij gojim overnachten?”

„Wij zullen deze nacht wel onderdak in de qehiloh vinden, daarvan ben ik zeker,” zei de woordvoerder mat glimlachend, „onze missie is ten einde, maar ik heb nog een woord onder vier ogen met dokter Todelche.”

187

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.