Reinier Vinck?” vroeg de Schout, terwijl hij de brief in zijn vingers ronddraaide.
„Ik kan drie getuigen aanwijzen, die tegenwoordig waren toen ik Isaï Krumbach de brief en wat juwelen overhandigde. En John Cambell draaide om ons heen. Hij moet gedacht hebben, dat ik een geheime boodschap voor Jan van Galen meegaf. Daarom...”
Reinier Vinck zweeg. De Schout tuurde naar de brief en soms naar de opengesneden lap stof. Hij zei gedempt:
„De valstrik was bloedig... met onvoldoende bewijskracht.”
„Die Fransman zal het sluitstuk zijn,” antwoordde Reinier Vinck grimmig, „mét het verhaal over Isaï Krumbach, dat ons straks zal bereiken.”
De Schout rees op. Ook Reinier Vinck. Zijn gezicht was heel oud. De Schout wreef weer vermoeid over het voorhoofd, volgens zijn gewoonte, fluisterde: „God vergeve ons, Reinier Vinck.”
En Reinier Vinck antwoordde:
„Ik heb u eens gezegd: het kost een mens... en u hebt geantwoord: het is oorlog en de Heer der Heirscharen is een grimmig Heer.”
„Ik weet ’t... ik weet ’t, koopman. Overmorgen steekt Tromp in zee. Laten wij hopen, dat deze joodse man niet vergeefs geofferd is.”
„Zes graanschepen voor Livorno varen mee in het konvooi. Géén Genuezen op Amsterdam. Géén lening aan de Engelse geheime dienst... dus geen kapers tegen de Straatvaart... John Cambell gevangen en zijn activiteit verlamd,” somde de koopman op.
„Ik weet ’t... ik weet ’t,” zuchtte de Schout.
Reinier Vinck reikte hem de hand, wendde het gelaat af. En verliet het huis, het hoofd gebogen. En buiten in de duisternis van de gevallen avond stroomden de tranen over zijn gegroefde gezicht...
Drie bereden stoere jonge joden uit de qehiloh Antwerpen verlieten hun stad. Om de twee uur wisselden zij paarden en betaalden met goud aan boeren en postmeesters. Zij reden tot diep in de nacht en voor de dageraad trokken zij weer verder.
En binnen zesendertig men waren zij in Amsterdam. Zij bonden hun paarden aan de muurringen van Chajim Todelche’s huis en traden schoorvoetend binnen door de wijdgeopende huisdeur. Buren en buurtgenoten stroomden samen en gisten angstig en opgewonden naar het reisdoel van deze drie jongemannen, waarachter zojuist Chajims deur in het slot viel.
186