„Ik wil deze partij wel kopen, mits de waardijns van het gilde dit staal goedkeuren.”
„Dat is uw recht, koopman Cambell. We zullen u veertien dagen optie geven en u kunt naar Rouaan uw antwoord zenden, want hedenavond vertrek ik weer. Ik heb nog zaken te doen in Munster.”
John Cambell vouwde het stuk doek op en borg het in de binnenzak van zijn mantel. Zij praatten nog even en namen zeer vriendschappelijk en met een hoofse buiging afscheid.
John Cambell leunde tegen zijn pilaar. Zijn gezicht was weer ondoorgrondelijk en hij keek naar het drukke Beursgewoel. Daar stapte Rei-nier Vinck uit de schaduw van de arcaden in de hof. Langzaam kwam hij naar John Cambell toe. De mannen keken elkander koel vorsend aan, maar Reinier glimlachte het eerst en zei:
„Koopman Cambell, ik zie u hier steeds zo eenzaam staan. Sinds die onverkwikkelijke fout van Mijne Heren van de Gerechte heeft de Amsterdamse koopmansstand tegenover u niet gedaan wat hij moest doen.”
John Cambell keek even verrast naar Reinier Vinck en boog vormelijk. Reinier Vinck vervolgde:
„Ik wil de eerste zijn om u weer in ons midden op te nemen, koopman Cambell. En zaken met u doen.”
„Uw woorden lijken mij verheugend en verstandig, koopman Vinck. Ik wil niets liever dan rustig mijn brood verdienen te midden van de Hollandse kooplieden. En u veroorlooft mij wel om in gedachten trouw te blijven aan mijn vaderland. Maar bovenal vurig op spoedige vrede te hopen.”
Nu boog Reinier Vinck zeer vormelijk en antwoordde:
„Laten we dan deze particuliere vredesluiting bezegelen met een dronk in een herberg naar uw keuze.”
John Cambell glimlachte. Hij antwoordde:
„Ik meen de vrijheid te mogen nemen u erop te wijzen, dat ik presbyteriaan ben en slechts noodgedwongen herbergen bezoek.”
„Wilt u dan te mijnen huize op de vrede drinken?” vroeg Reinier Vinck.
„Koopman Vinck, laat deze gebeurtenis onder mijn dak plaatsvinden. De eer zal voor mij des te groter zijn omdat mijn vrouw en dochters daarvan getuigen kunnen zijn. Na al deze narigheid hebben zij recht op deze eerste vreugde.”
Reinier Vinck boog weer en zei:
183