je, Jürgen, we vragen en bedanken het Opperwezen veel te veel. En tegen elkander in. Wie moet God dan kiezen, Jürgen?”
„Als ik God was,” antwoordde de rijknecht kinderlijk, „zou ik zeggen: allebei je bek houden en laat het aan Mij over.”
„Juist, Jürgen, dat deed Hij ook met ons daar in dat bos. Toen zei Hij ook: die Jürgen moet zijn mond houden en het aan Mij overlaten. Ik laat Me door Jürgen, die gelegenheidsbidder, niet omkopen, want Ik ben geen tollenaar.”
Isaï zette zijn paarden in draf, de rijknecht volgde beduusd.
Wat voor een vent dat was! Dat mocht de duivel weten... de duivel... verrek, daar léék ie op!!
In de verte doemde het profiel van Antwerpen op, tegen een schoongewaaide horizon.
Behaaglijk strekte Isaï zijn lange benen uit in het frisse bed. Hij vouwde de handen onder het hoofd en tuurde wat naar de bedhemel of naar de brandende kaars op het tafeltje tegen de muur, die hij kon zien omdat hij de gastvrouw verzocht had de bedgordijnen te laten wegnemen. Hij sliep nooit in een bed met gordijnen, dat was hem te benauwd en in sommige herbergen te gevaarlijk.
Alles wat de laatste uren gebeurd was, kwam hem weer voor de geest. Buiten de poort had de joodse gastheer met zijn twee zoons hem opgewacht, bang dat hij te lang zou moeten zoeken en misschien verdwalen in het grote Antwerpen. Dat had die goede huisvader niet uit zichzelf gedaan, peinsde Isaï glimlachend. Natuurlijk Genendel... zij plaveide zijn reisweg met brieven vooruit, brieven aan de families waar hij moest logeren, brieven aan kooplieden met het verzoek een krediet te openen voor de reisfactor Isaï Krumbach, haar bruidegom. En een wissel op haar conto bij de Amsterdamsche Wisselbank was bijgesloten. Overal waar hij overnacht had, was dat zo geweest, in Leiden, Rotterdam, Dordrecht, Breda en nu ook hier in Antwerpen.
Vereerd en opgetogen had men hem naar het huis gebracht waar de gastvrouw en haar drie sierlijke dochters hem hadden ontvangen. Een overvloedige maaltijd was aangericht, ook voor de rijknecht bij de meiden in de keuken en over de paarden had zich een stalhouder ontfermd. Niets mocht hij meer zelf verzorgen, alles was geregeld.
Genendel... stille, beheerste, nuchtere, lieve en kuise Genendel! Waarom was ze stil... geen wonder na die slachting in Maagdenburg... iedereen, die zijn ouders voor zijn ogen heeft zien ombrengen, zal ver-
180