meegegeven. Iedereen wil iedereen groeten en iets berichten, vooral nu het geen bodeloon kost.”
„En geld?” vroeg de rijknecht weer.
„Geen geld. Dat heb ik niet nodig. De naam van mijn patroon is 20 groot, dat iedere koopman mij leent wat ik vraag."
„Zo, zo, dat is een heel wat makkelijker leven dan van een rijknecht,” zei de man en verzuchtte: „nou, vooruit dan maar. Al zijn ze moe, in draf.”
Het bos omsloot hen. De smalle weg lichtte flauw op, boven hen werd de hemel helder. Geluiden klonken in de verte, nabij kraakten soms takken. Dof dreunden de hoeven van de paarden, ongelijk. In de verte zou het klinken of een patrouille van de Baljuw voorbij reed.
Nieuwsgierig keek Isaï dan links dan rechts. De bomen en struiken, onscheidbaar van hun zwarte achtergrond, hadden iets onheilspellends en hij overdacht dat de mens ’s nachts niets méér betekent dan andere wezens in de Schepping. Hij is bang, kan nauwelijks zijn plaats bepalen, noch zich verweren tegen iets dat hem bespringen wil.
Isaï keek naar de rijknecht, zag hem steeds opwippen in het zadel, hoorde zijn paard een forse wind laten en daarna het vallen van de mest. Hij moest daarom hard lachen, zodat de knecht schrok en hartgrondig vloekte... die jood, dat was een gek. Wie lacht er nu zo midden in een nachtelijk bos. Hij spoorde zijn paard aan, kortte de teugel van het pakpaard in, hij wilde er uit, in de verte zag hij de vlakte. En terwijl hij draafde, bad hij om bijstand. Aan de rand van het bos wachtte hij op Isaï, die zich niet gehaast had.
„Goddank dat wij er uit zijn,” zei de knecht.
Ze reden nu stapvoets verder.
„Waarvoor was je nu bang, Jürgen?”
„Weet ik niet.”
„Waarom bad je?”
„Hebt u dat gehoord?”
„Ik hoorde je niet en ik hoorde je toch. Waarvoor heb je gedankt, Jürgen?”
„Dat Hij ons heelhuids uit het bos liet komen, koopman.”
„Dus jij beloont God met een gebed omdat Hij beter gebleken is dan jij dacht?”
„Ik begrijp u niet, koopman, veel dingen van u begrijp ik niet. Wie lacht er nu in een bos, ’s nachts?” zei de rijknecht danig ongerust.
„Ik... een man die zich altijd in Gods hand voelt, waar hij ook is. Weet
179