„U wilt toch weer gezond worden?”
„Ben ik dan zo ziek?”
„Met zestig jaren is men geen jongeman meer. Maar vertel me nu eens wat u hindert... een goede dokter is gelijk een biechtvader.”
„Dokter Todelche, ik ben Calvinist,” riep de Schout en zijn ogen vonkten even toen hij met z’n vuist een paar maal krachtig op de stoelleuning sloeg.
„U moet uw innerlijk soelaas geven, mijnheer de Schout.”
„De Schrift is mijn soelaas.”
„De Schrift luistert niet,” antwoordde de dokter een beetje korzelig. „Hij antwoordt. Duizenden antwoorden liggen gereed op duizenden vragen, die het innerlijk van de mens stelt. U, als jood, weet dat niet?" „Als men de doktershui heeft behaald, is meestal het innerlijk van een medicus veranderd. Vlees en geest heb ik leren kennen als een onontwarbaar kluwen. Misschien dat eeuwen na ons dat kluwen door de wetenschap zal worden ontknoopt en dat wij ons lichaam zullen kunnen verklaren. Dan zal God duidelijk voor ons oprijzen en de Schrift zal dan misschien niet meer zijn dan een wetboek en litteratuur.”
Chajim Todelche had ernstig gesproken. Zijn ogen staarden naar buiten in de verte en het leek de Schout, dat hun kleur van donkerbruin in heel licht was veranderd.
„Als de rabbijnen u zo hoorden, dokter, en de predikanten,” zei de Schout.
„En de geheime pastoors niet te vergeten, mijnheer de Schout. Ze zouden u gezamenlijk verzoeken de Vierschaar te spannen voor Chajim Todelche en voordat ik verbrand werd, zoudt u, mijnheer de Schout, misschien wel gedwongen zijn me scherp te verhoren.”
De Schout stond op, bijna viel de stoof om. Hij legde zijn hand weer op de schouder van de dokter en Chajim Todelche zag onrust in zijn grijze ogen, hij zag zijn stoppelige kin wat beven en de grijze snor trillen.
De dokter knikte begrijpend en zei: „Vertel het me nu. Ik zal u antwoorden in plaats van de Schrift. Misschien stam ik uit de sekte der Esseeërs.”
De Schout drentelde onrustig door zijn kamer en vertelde: „Vorige week heb ik Steven Lamshouck scherp verhoord. De hemel vergeve het me. Hij was bang als een dier, dat de slachtbank voorvoelt. Die angst... dat gillen toen de duimschroeven werden aangedraaid... dat zwellen van zijn lichaam toen de Binnenmeester hem volgoot...
169