„U kunt zich weer kleden,” zei Chajim Todelche, terwijl hij aan tafel ging zitten om een recept te schrijven. De Schout gehoorzaamde en vroeg spottend:
„Is u tevreden? Durft u me nu helder pompwater voor te schrijven?” „Ik ben helemaal niet tevreden. En wat ik u voorschrijf is niet onnozel.” „Niet tevreden?”
„Neen, uw hart klopt te snel en uw ogen staan me niet aan. Uw kleur ook niet.”
De Schout staarde hem opeens somber aan, een beetje geschrokken. „Had ik u maar niet geroepen. En hoe moet dat nu met dokter Gillis Navander. Straks komt de barbier om mij ader te laten.”
„De Voorzienigheid was verstandiger, mijnheer de Schout. Voorlopig acht dagen bedrust. Niet in die stoel... bedrust. Dan deze drank driemaal daags, geen rood vlees, geen kruiden of zout, geen vet en geen sterke drank. Daarna zullen we zien. En geen bloed aftappen en geen klisma’s zetten.”
Chajim Todelche overhandigde hem het recept, boog weer en wilde nu werkelijk vertrekken. De Schout vroeg wat gejaagd:
„Is het ernstig, dokter? Ik kan niet gemist worden.”
„Over acht dagen veroorloof ik mij bij u terug te komen, mijnheer de Schout. En iedereen kan gemist worden.”
De Schout knikte gelaten, trok de kamerjas wat vaster om het lichaam. Hij had het kouder en wist niet of het kwam omdat hij ontkleed was onderzocht of dat hij toch zieker was dan hij vermoedde.” „Als het erger wordt, kan ik u dan eerder laten roepen, dokter?”
„Wat erger wordt, mijnheer de Schout?”
Weer keerde Chajim Todelche op zijn schreden terug. De Schout keek nu werkelijk een beetje hopeloos en zei op gedempte toon:
„Ik heb soms wat last van duizelingen en kramp in de linkerarm. Slapen doe ik ook slecht en moet ’s nachts nogal eens opstaan.”
„Hoe lang werkt u, mijnheer de Schout?”
„Ik sta om 5 uur op. Als de stad ontwaakt, moet de Schout niet op zijn bed liggen. En ’s avonds om 9 uur ga ik slapen, tenminste als er niets aan de hand is.”
„Ja, ja. En dat gebeurt nogal eens in een stad met meer dan honderdduizend zielen. Hebt u de laatste tijd iets bijzonders meegemaakt? Iets dat u zorgen baart?”
„U verhoort me alsof u een van de Gerechte bent, dokter,” zei de Schout vermoeid.
168