van het Admiraliteitsgebouw. Voor hem op tafel lagen de staten met de namen van de schepen van de nieuwe vloot, waarmee Tromp straks zee zou kiezen. De Admiraliteit van Amsterdam zou uitbrengen 29 landsschepen en 30 bodems gehuurd van de Oost-Indische Compagnie en van zelfstandige reders. Slechts 13 bodems van meer dan 40 kanons en bemanningen van honderdtwintig tot honderd vijf tig matrozen en twintig soldaten. De andere schepen alle nog lichter, van achttien tot zesendertig kanons met zeventig tot honderddertig koppen. Wat zouden de Admiraliteit van de Maze, de Admiraliteit van Zeeland, de Admiraliteit Noorderkwartier en die van Friesland opbrengen? Nog steeds waren hun lijsten niet ontvangen, nog steeds was niet te controleren of de gestelde honderdvijftig bodems zouden worden bijeengebracht. Maar al zou alles, ondanks de trage en versplinterde werkwijze van het Zeewezen, op tijd in Tessel en de Wielingen zijn, dan nog bleef het verschil met de Engelse zeemacht. Hij bekeek nauwkeurig de Engelse lijsten, die de Schout hem in handen had gespeeld. Een voortreffelijke inlichtingendienst had deze stad, daarbij vergeleken was die van de Admiraliteit een verroeste zeef, dacht de secretaris boos. Hun schepen waren zwaarder, beter bemand. Allereerst dat geweldige slagschip van de eerste rang The Commonwealth, met 100 kanons en 600 man, dan nog één in die klasse met 85 kanons en 500 man, nog één met 80 kanons en 300 man. Twaalf bodems van de tweede rang met 54 kanons en 280 man, dan nog de derde, de vierde en de vijfde rang, alle zwaarder en met meer volk dan de schepen van de Unie. En daartegen moesten zij optornen, Tromp, Dubbelwitt, De Ruyter, Jan Evertsen, die taaie betrouwbare admiraals. Daartegen moesten zij op met te licht geschut, met half gevulde konstabelskamers, met karig voedsel en water, met ongeoefende koopvaardijschippers, met geronseld volk om een kleine geoefende kern gegroepeerd. En Engeland hield drijfjachten in dorpen en steden, preste volk voor zijn vloot, overvloedig volk.
Een wurgende pijn snoerde Siebe Montanus de keel dicht. Wat hielp al zijn zwoegen en dat van de charter- en equipagemeesters? Al dat vergaderen en kletsen en over en weer schrijven van Hunne Hoog-mogenden en de Admiraliteiten onderling verlamde bijna alles. En dan het geld. De provinciën moesten betalen, maar zij rekten en rekten en beloofden en stuurden niets. Zeeland moest geld lenen, want die vette boeren daar zwegen stug en betaalden niets. En de kooplui hier wierpen bezwaren en bezwaren op, bouwden liever huizen, kochten zijde en
160