bepaald. Dit land is in oorlog, sinds ons eerste gesprek is er niets veranderd. De handel ligt stil, betalingen gaan langzaam en de verliezen veroorzaakt door de kaapvaart, zijn fors. Deze factoren vorderen de allergrootste eensgezindheid. De overheid waakt daarover.”
„Was het juist, mijnheer de Schout, dat deze Simon de Bye zich zo gedroeg? Was hij het niet, die deze eensgezindheid aantastte door een goedwillende jodin met zijn minachting uit de Amsterdamse gemeenschap van handel en financiën te willen stoten?”
„Mogelijk, dokter Todelche. Maar het is nu in het belang van de uwen om de sfeer in Amsterdam niet te vertroebelen. De gevoelens van Simon de Bye zouden zich kunnen overplanten op andere kooplieden. En het is toch niet alleen het doel van de joodse natie om hun gelden te incasseren, nietwaar? Zij willen toch zaken doen? En daarvoor is een welwillende sfeer nodig. Vergeet niet, dat deze oorlog eens zal eindigen.”
„Mijnheer de Schout gelieve te overdenken, dat er geen handel kan bestaan als oude vorderingen dubieus worden of de honorering steeds wordt uitgesteld. Bovendien, hoe zullen de buitenlandse relaties denken over de rechtsbedeling in Amsterdam en over de handhaving van het wisselrecht?”
De Schout beet zich even op de onderlip om zijn beheersing niet te verliezen. Een moment trommelde hij ongeduldig op tafel.
„Tot mijn spijt moet ik constateren, dat u slechts de formele kant van de zaak wilt blijven zien. Uw recht is uw recht, maar ik herinner mij een toneelstuk van Engelse komedianten, dat ik uit hoofde van mijn officie heb gezien. Het is geschreven door ene Shakespeare en het heet 'De koopman van Venetie’...”
„Ik ken het, mijnheer de Schout,” onderbrak de dokter heftig, „ik ken het, want ik heb een ziekelijke neiging om alle vormen van jodenhaat op te sporen en er mij over op te winden.”
„Welnu, we zullen elkander beter kunnen begrijpen. Deze Shylock wilde ook het onmogelijke en vergat de menselijkheid.”
„En de oorzaak daarvan, mijnheer de Schout?”
„Zijn gelddorst, dokter, niets anders beheerste zijn leven.”
„Neen, duizendmaal neen!!” riep Chajim Todelche en sprong op. Zijn hoed viel op de grond, hij zag het niet, schopte hem zelfs in zijn opwinding terzij. Hij stelde zich op achter zijn stoel, alsof het een katheder was, omvatte de leeuwenkopjes van de leuning met zijn sterke handen. Verbaasd keek de Schout naar deze veranderde Chajim Todelche. Zijn
157