De Schout knikte wat bedrukt en zei: „Misschien is de aanblik van de pijnbank voldoende. Laten we dat hopen. Nog deze week zal het gebeuren, er staat te veel op het spel als Tromp uitvaart.”
Ze wandelden zwijgend voort, dachten over de gerezen moeilijkheden. De Schout hernam het eerst het woord:
„Ik zal u helpen om die lening te verhinderen, koopman Vinck. Dat is Staatszaak. Maar voor Simon de Bye zal ik wel niets kunnen doen. Jammer... ook voor u persoonlijk.”
„Ik dacht zo,” antwoordde Reinier Vinck, „als de Admiraliteit die lening neemt? Zij klagen toch steeds dat er te weinig geld is?” „Burgemeesteren hebben besloten om hun geld voor te schieten. Ik vrees, dat een aanbod van een joodse lening zeer slecht zal worden ontvangen,” zei de Schout.
„Arm en trots,” peinsde Reinier Vinck hardop.
De Schout haalde de schouders op en wuifde iets denkbeeldigs weg. „Wat wilt u, koopman? Is er trotser volk dan de kooplieden en reders van Amsterdam, dan de Heren Zeventien, dan Burgemeesteren? Zolang de Wisselbank nog uitpuilt van het geld... geen lening, van wie dan ook.”
Ze stonden stil voor het huis van de Schout, drukten elkander de hand. Reinier Vinck werd opeens zeer ernstig toen hij zei:
„Dit keer vang ik John Cambell... maar het kost een man, mijnheer de Schout.”
„Het is oorlog, Reinier Vinck. En de Heer der Heirscharen is een grimmig Heer.”
Toen draaide de Schout zich om en besteeg zijn stoep. Reinier Vinck trok zijn mantel vaster om zich heen...
Een schrijver kwam en ontbood Chajim Todelche naar het raadhuis. Hij moest zich melden bij de Schout. Sprakeloos hoorde Reize hem aan, liet de huismeid, die intussen wat jiddisj had geleerd, het nog eens en nog eens vertalen. Toen knikte zij gelaten en liet antwoorden, dat de dokter zijn patiënten bezocht. Hij zou zo spoedig mogelijk komen. Nadat de schrijver vertrokken was, kwamen angstige buurtgenoten toelopen om te vernemen wat er nu weer boven hun hoofd hing en omdat Reize niets wist, werd hun bezorgdheid nog groter.
Toen Chajim Todelche thuiskwam, barstte Reize los.
„Wat heb je gedaan?!”
„Ik gedaan?”
149