,3ij wie... en waarvoor?”
„Bij de joden. En waarvoor?... Tja, hij vraagt betaling in Marseille. Ik vermoed, dat hij daar roofschepen wil uitrusten, de kaperbrieven zal Mazarin hem maar al te graag doen uitreiken.”
„U moet dat verhinderen, koopman. Jan van Galen heeft het al zwaar genoeg in de Middellandse Zee,” zei de Schout en streek zich nadenkend langs wangen en kin.
„Ja, maar hoe? Ik kan niet meer doen dan die joden dringend verzoeken, maar als ze willen? Dan kunnen we het niet verhinderen. Het zijn Duitsers en geen burgers van de Unie, laten we dat niet vergeten.” „Goed, zij hebben geen burgerrecht, maar zij zijn ingezetenen van de stad. Laten zij zich dat herinneren. Wie heeft ’t u verteld?”
„Isaï Krumbach. Zijn bruid, de rijke erfdochter Genendel Kossmann, is het middelpunt van een financieel net.”
„Genendel,” zei de Schout nadenkend, „Genendel Kossmann uit het huis van dokter Chajim Todelche? Aha... er is mij hedenmorgen nog iets over haar ter ore gekomen.”
„Dan hebt u dus nog een geheim, mijnheer de Schout? Wij zijn goed op dreef.”
„Ik zal u ook dat vertellen, als u voor mij dan een gelijkmaker hebt,” lachte de Schout.
„Aangenomen," zei Reinier Vinck.
„Nu dan... Simon de Bye is mijn hulp komen inroepen. Die Genendel Kossmann heeft hem wissels aangeboden, zonder mogelijkheid van prolongatie. En dat betekent de totale ondergang van zijn huis. Hoe komt de man zo diep in de schuld?”
„Te jong, te onervaren. Grootgebracht in weelde en gespeend van ieder gevoel voor financiële mogelijkheden. En wat gebeurt er nu, mijnheer de Schout? Ik heb nog vorderingen op Simon de Bye,” zei Reinier Vinck bedrukt.
„Het recht moet zijn loop hebben. Wanneer hij niet betalen kan, zal de Desolate Boedelkamer zijn faillissement moeten uitspreken en een curator aanstellen. En wat is nu uw tweede geheim, koopman Vinck?” „Steven Lamshouck kreeg zijn inlichtingen van een Hoogmogende, een afgevaardigde bij de Admiraliteit van de Maze. In Duinkerken woont de verbindingsman, een kerel van de Franse inlichtingendienst. De berichten gaan via Parijs naar de Engelse gezant. Wie de Hoogmogende is, zal het verscherpte verhoor aan het licht moeten brengen. Dat zal u misschien nog meer spijten dan mij, mijnheer de Schout.”
148