een heirevolk... en det tuig aon de oferkant, die Dutsies, da’s tuig fen de richel! Alle andere volleke benne tuig en wai benne uitverkore en de Heire. Menne let op je saok!! ”
„Ik begraap d’r geen pest fen,” zei er een.
„Zo, begrijp jij dat niet! Als jij een leugen dag in dag uit in de mensen d’r kop hamert, gaan ze het uiteindelijk geloven. Nou is ’t zover. Nou slaan ze zich op de borst, nou roepe ze, wij zijn de Here, de zeeën van ons. Wilt u ons nou maar permissie vragen of u varen mag, waar u varen mag, wat u vervoeren mag. En Dutsie, vergeet u vooral niet je vlaggetje te strijken, als u me ziet en uw marszeiltje netjes laten zakken. Net zo als de klep van je broek als je piesen moet. En dan zal ik je wel vertelle, wanneer je dat zeiltje weer mag hijsen en verder sukkelen. Dag Dutsie... ik dweil mijn Parlementje met je an!” „Godverdomme... die secreiteü” gilde die man weer uitzinnig van drift en slingerde zijn kroes tegen de muur. „Laozer op, waordü Laot maan spreike.”
Ysbrandt de Graef stapte van zijn ton. Reinier Vinck bemerkte een grimas op zijn gezicht. De man stapte op de ton, was een beetje onvast ter been omdat hij al te veel gedronken had. Hij rukte zijn wambuis open, zodat er een paar knopen wegsprongen en trok zijn hartsvanger. Gilde:
„Ik snaai se ope... die stinkers. Waor blave jullie, zuiplappe en hoere-lopers... waor blave jullie? Hibbe we daorom de Spanjool s’n foete gespoeld om nou bescheite te worde door de Brit? Wet motte we strak-kies as me niet meir vaore kenne, hé! Kenaane fokke en mit een schop-pie in de grond staon wurreme! Waar blave jullie! Hé! Binne jullie Duins vergeiteü”
Het was stil geworden in de herberg. Ze schoven hun mutsen naar achteren, de ogen in hun grimmige gegroefde en verweerde gezichten lichtten op. Hun pijpjes staken in hun harde streepmonden, de stoppels op hun ongeschoren kaken waren stekelig, zo strak stond hun vel.
Ysbrandt de Graef trok de man van de ton en stapte er zelf weer op. „Manne, als ze winnen, dan is de Oost en de West verloren, dan is de Straatvaart voor de Brit, dan is de moederhandel op de Oostzee geschiedenis. Dan liggen de nederzettingen in Amerika voor hen op een presenteerblaadje. Al het gedane werk voor niets! Jullie grootvaders en jullie vaders zullen voor niks verzopen zijn. En hoe moeten we leven? Met z’n allen hier op een stukkie drassig land tussen de meren? Verrekken zullen we! Mannen, varen moeten we! Varen of verrekken!! Mon-
146