maling, maar mij niet. Mannen... er moet volk komen op de vloot!” „Weten we,” antwoordde een kleine stevige matroos, „haal maar een zooitje uitvreters van de Heregracht!”
„Lazer dan op, als je niet luisteren wil. Mannen... de Brit heeft ons in zijn tengels. Dat reilt en zeilt maar op de Noordzee alsof het zijn badkuip is.”
„Mot hai weite,” brulde er een.
„De haringvloot heeft ie vorig jaar gepikt, Tromp en Dubbelwit d’r uit gebezemd. Geen schip komt er meer door... straks is ons vrete op, straks verrekke we van de armoe. Kunnen jullie je liederlijke pens verhuren aan een moffenkeurvorst. Kan je gaan bakkeleien voor een grijp-stuiver in een vreemd land, kan je kreperen voor een vreemde uitvreter in plaats van voor onze eigen.”
„Ik hib niks teige de Brit,” riep er een. „Ik hib best mit se gevaore! ” „Maar hij heeft wat tegen jou, jonkie. Wacht effe, meester, als ie straks aan land springt. Wacht effe, als ie straks jou in je bed overhoop steekt en naast je wijf kruipt.”
„Hoor ’m, hé,” joelden een paar jonge kerels. „Hoor ’m... laat de wijven er buiten.”
„Zou je wel willen. Waarom wordt er geknokt? Om de wijven en de meiden, om de poen, om vrete. Dat is zo oud als de wereld.”
„Hé, meester, weet je niks anders! Motte we daarom naar zee? Voor die paar guldens en beschimmeld zoutevlees? Hé?”
„Nee, niet alleen daarom, ook om je nek niet te buigen. Maar goed, blijf dan hier rondhangen en zuipen, haal strakkies je vlag maar uit de bezaan, als je een Brit tegenkomt, laat je marszeilen dan maar zakken en wacht maat netjes tot ie je verlof geeft om verder te gaan. Ga je orders maar halen bij mijnheer Cromwell. Morgen, mijnheer Cromwell, heb u goed geslapen? En wij wilden vragen, mijnheer Cromwell, of we een vrachie mogen halen in de Levant of in de West, of in Indië... en hebben we netjes ’t vlaggesaluut gebracht, mijnheer Cromwell, was dat nou heus naar uw zin? En magge we nou weer die marszeiltjes hijsen, mijnheer Cromwell, we zoue toch zo graag verder dobberen. En dat u niet hebben wil, dat we andere spullen dan alleen de onze vervoeren, daar hebt u groot gelijk in, mijnheer Cromwell. U zegt ’t maar, mijnheer Cromwell, want we zijn een prachtig stelletje lapswanzen.” „Godverdomme... die secreite!! ” riep een zware matroos. „Is ’t dèt!! ” „Jao, ’t is dèt,” riep Ysbrandt de Graef op z’n Amsterdams terug, „jao, ’t is dèt. Saane Majestaat Kaorel de eirste is d’r mei begonne! Wai binne
145